donderdag 28 mei 2009

Absolute vrijheid als doelloosheid en willekeur

Hier twee voorbeelden die illustreren wat Wijnberg in zijn Aristotelische analyse van vrijheid bedoelde. Het grenzeloze ondergraaft de rede en de waarheid. Vooral in de dialoog Philebus legt Plato dit fenomeen uit. Ach, konden Rutte en Wilders maar een dag op bezoek bij Plato.

Halsema in emotionele botsing met Wilders
Gepubliceerd: 28 mei 2009 16:14 | Gewijzigd: 28 mei 2009 16:21
ANP
Den Haag, 28 mei. Vrijwel de gehele Tweede Kamer viel vandaag tijdens het verantwoordingsdebat over PVV-leider Geert Wilders heen. Vooral GroenLinks-leider Femke Halsema en D66-leider Alexander Pechtold reageerden emotioneel of fel.

Wilders begon zijn betoog door zijn onthutsing uit te spreken over de Nederlandse journaliste Joanie de Rijke die door de Talibaan in Afghanistan is verkracht, maar volgens Wilders begrip heeft getoond voor haar verkrachters.

Dat is volgens hem „tekenend voor het moreel verval van onze elite”. Politici, bestuurders, ambtenaren, subsidieslurpers zijn volgens hem massaal en volledig de weg kwijt. „Die hele elite leidt aan het Stockholm-syndroom.”

Halsema reageerde als door een wesp gestoken. „U kent geen enkele ethische begrenzing, maar het stuit me tegen de borst dat u het verhaal van deze vrouw gebruikt voor uw eigen arbitraire gelijk. Schaam u!”

„Voor nog geen millimeter”, antwoordde Wilders.


Ophef in VVD om uitspraak Rutte Holocaust

Gepubliceerd: 28 mei 2009 12:16 | Gewijzigd: 28 mei 2009 15:13
Door een onzer redacteuren
Den Haag, 28 mei. Uitspraken van VVD-leider Mark Rutte over het niet strafbaar stellen van de Holocaust-ontkenning hebben geleid tot verontwaardiging binnen zijn partij. Ook buiten de VVD is kritisch gereageerd.
Maxime Verhagen. (Foto AP)
Maxime Verhagen.
(Foto AP)

* Archief - Rutte alleen in debat over vrije woord

Rutte deed zijn uitspraken naar aanleiding van een VVD-voorstel om de vrijheid van meningsuiting wettelijk te verruimen. In dat kader zou het volgens Rutte niet langer strafbaar moeten zijn de Holocaust te ontkennen, de moord op miljoenen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Dat valt niet goed bij enkele partijprominenten. Kamerlid Hans van Baalen, die momenteel campagne voert als VVD-lijsttrekker bij de Europese verkiezingen, is het eens met Rutte dat het effectiever is „antisemieten en racisten” aan te pakken in het publieke debat dan in de rechtbank. Maar hij zegt in de Israël Nieuwsbrief ook: „In de tweede plaats is er altijd de strafrechter. Dat moet zo blijven.” Erelid Hans Wiegel spreekt van een „bizar” voorstel.

Ook buiten de VVD is kritisch gereageerd. Minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) sprak vanmorgen over „een absoluut dieptepunt”. Hij is „boos” over de uitspraken van Rutte. „Die man is het spoor bijster.”

Rutte benadrukte zelf, dinsdagavond bij de presentatie van het voorstel, dat hij het vervolgen van Holocaust-ontkenners altijd al „mallotig” had gevonden. Maar het debat daarover moet volgens hem in het publieke domein gevoerd worden. Volgens hem zitten Van Baalen en hij op één lijn. Ruttes woordvoerder benadrukte vanmorgen dat er verschillende interpretaties mogelijk zijn, maar dat de hele VVD achter de voorstellen voor de verruiming van de vrijheid van meningsuiting staat.

PvdA-leider Bos is niet onder de indruk van de VVD-voorstellen om de vrijheid van meningsuiting te verruimen. „Ik hoorde Rutte op de televisie verdedigen dat ‘Hamas Hamas Joden aan het Gas’ wel in een demonstratie mag worden geroepen, maar niet in een moskee. Tjongejonge, de VVD heeft kennelijk echt goed nagedacht over de vrijheid van meningsuiting”, aldus de PvdA-leider op zijn weblog.

woensdag 22 april 2009

Vragen bij Leeg is Mooi (uit: The Shock Doctrine

Algemeen: Naomi Klein is, zoals je in de tekst zult merken, woedend en moreel verontwaardigd. Maar dat neemt niet weg dat ze op basis van inhoudelijke argumenten probeert aan te vallen wat haar tegenstaat. De crux ligt in de koppeling die gemaakt wordt tussen kapitalisme en democratie. Deze koppeling heeft een lange geschiedenis. Kort gezegd komt her erop naar dat na 1989, na de val van de Berlijnse Muur en het uiteenvallen van het communisme in de Sovjet-Unie, het Einde van de Geschiedenis werd afgekondigd (door Fukuyama). Hiermee bedoelde hij niet dat er niets meer zou gebeuren. Oorlogen en conflicten zijn onvermijdelijk. Wat Fukuyama bedoelde was dat de vraag naar de ideale staatsvorm (of de minst slechte) nu definitief beantwoord was. Na monarchie, dictatuur, feodalisme, standenmaatschappij, theocratie, aristocratie, fascisme, communisme enz. bleven kapitalisme en een constitutionele democratie over. De rest van de geschiedenis zou bestaan uit het verder verspreiden van dit samenlevingsmodel. Precies dit vormt de doelstelling van het Amerikaanse buitenlndse beleid in de jaren 80 en 90 en na 2000. Denk aan Irak waar de officiele doelstelling was in Irak de dictatuur en de planeconomie af te schaffen en daarvoor in de plaats een constitutionele democratie (TRIAS POLITICA) met vrije markt te stichten. Precies op die ambitie richt Naomi Klein haar peilen, want, zo vraagt ze zich af, hoe democratisch is die samenleving met vrije markt tot stand gekomen gezien de consequenties van The Shock Doctrine. Door de koppeling tussen vrijheid, kapitalisme en democratie te problematiseren laat ze de interne tegenstrijdigheden zien.

Vraag 1.
a. Beschrijf wat de Shock Doctrine inhoudt. Ga daarbij in op:
- Martelmethodes
- Natuurrampen
- Electroshocks
- De Shock and Awe doctrine in de oorlogvoering.
b. Geef drie concrete voorbeelden waar de Shock Doctrine is toegepast.

Vraag 2:
a. Welke rol spelen privatisering en kapitalisme in de nieuwe samenleving die na de Shock wordt ingevoerd?
b. Welke rechtvaardiging wordt bijvoorbeeld door Milton Friedman gegeven voor de invoering van deze maatschappijvorm?
c. Hoe denken burgers, volgens Naomi Klein, over de wenselijkheid van de invoering van de vrije markt?

Vraag 3:
Leg aan de hand van concrete voorbeelden uit hoe Naomi Klein (net zoals Marx dat bij het kapitalisme deed) van binnenuit de koppeling tussen democratie en vrije markt ontkoppelt.
Zorgvuldig beargumenteren.

Taken week 27 tot en met 31

Na de vakantie zal ik proberen een overzicht te maken, maar de praktijk leert steeds dat dat overzicht ook niet echt werkt. Ik vind dit handiger.

Week 27-28: Vragen bij 'Communistisch manifest'van Marx en Engels. Vragen staan ook op de blog.

Week 29-30: Vragen bij 'De perfecte wereld van Adam Smith'. Vragen staan ook op de blog.

Week 31 (na de vakantie) Vragen bij de tekst Leeg is Mooi van Naomi Klein. Zie de blog voor de vragen hierover.

dinsdag 14 april 2009

Vragen bij The Corporation

VRAGEN BIJ THE CORPORATION

De documentaire The Corporation uit 2003 geeft een messcherpe analyse van het karakter van het bedrijfsleven en het moderne kapitalisme. Wij richten ons vooral op de filosofische vraag naar de ethische dimensies van het kapitalisme. Hierbij dienen we een belangrijk onderscheid in het oog te houden: het verschil tussen ‘is’ en ‘ought to be’. Bij het behandelen van Machiavelli kan ik me nog goed kan herinneren dat jullie zijn ideeën zo herkenbaar vonden in tegenstelling tot die van Plato, Aristoteles en Augustinus. De reden daarvoor ligt wellicht precies in de wijze waarop Machiavelli de verhouding tussen ‘is’ en ‘ought to be’ dacht. Volgens Machiavelli is machtsstrijd waarin het doel de middelen heiligt, een situatie die simpelweg aan de orde is. Machtsstrijd is een natuurtoestand, een feit, een gegeven, de manier waarop de wereld in elkaar zit. Vanuit deze ontologische bepaling (ontologie = zijnsleer) wordt elk appel op morele verantwoordelijkheid tot een ‘ought to be’ dat fictief en irreëel is. We kunnen wel willen dat iedereen lief en eerlijk is, maar dat is gewoon een illusie. Ieder persoon is immers een egoïst die alles zal doen wat in zijn macht ligt zijn eigen belangen te bevorderen. Door dit onderscheid zo te bepalen wordt ‘ethiek’ een bezigheid van zielige luchtfietsers die iets onmogelijks willen. In zekere zin wordt ethiek hierdoor onmogelijk gemaakt, want hoe kun je tegen iets zijn dat gewoon ‘is’.
De truc speciaal van elke ideologie (religie, communisme, kapitalisme, democratie, monarchie enz.) is de overtuiging in de hoofden van mensen planten dat de ideologie geen verzonnen idee is, dat ooit ergens in de geschiedenis ontstaan en bewust verspreid is, maar dat de ideologie gewoon waar ‘is’, zoals de wet van de zwaartekracht waar is. Het kapitalisme is daar best wel goed in geslaagd. Hele volksstammen herhalen het mantra van de wet van vraag en aanbod, de wet van concurrentie, de vrije markt enz. Zie ook de opzichtige fusie tussen het darwinisme en het kapitalisme. De survival of the fittest is een natuurwet. Daarmee wordt elke ethische kritiek op het kapitalisme als een zeurderig ‘ought to be’ gezien dat bij voorbaat al kansloos is.
In The Corporation wordt er op allerlei manieren kritiek geleverd op het kapitalisme dat niet zomaar ‘is’ maar een hele specifieke menselijke constructie blijkt. Het vereist wel enige scherpte dat helder te zien. Het spannende aan de documentaire is dat getoond wordt dat als we inzien dat het kapitalisme een menselijke constructie is, we ook minder machteloos staan, verantwoordelijkheid kunnen en moeten nemen. Dat maakt dat The Corporation naast een vernietigende en verontrustende analyse van onze moderne wereld ergens ook nog wel iets van hoop biedt.

Het nut van definiëren. Het sterke van deze documentaire is dat ze eigenlijk volledig in het teken staat van een poging een fenomeen (bedrijfsleven, kapitalisme) te definiëren. Dat gebeurt in de reguliere media nauwelijks. Daar wordt bij voorbaat al aangenomen dat een begrip duidelijk is. Door allerlei aspecten te belichten door voor- en tegenstanders aan het woord te laten, krijgen we een rijkgeschakeerd, complex beeld, waarin desalniettemin een aantal centrale principes te onderscheiden zijn.

Openingssequentie:
1. Welke twee opvattingen over het moderne, kapitalistische bedrijfsleven staan in de opening tegenover elkaar in de discussie over ‘rotte appels’?

2. Er worden in de openingsequentie enorm veel definities gegeven van wat een bedrijf is, zowel positief als negatief. Noteer er zoveel mogelijk.

3. Een geïnterviewde zegt dat we veel kunnen leren van de geschiedenis van het ontstaan van bedrijven.
a. Wat toont de geschiedenis aan ten aanzien van het standpunt dat het kapitalisme ‘gewoon is’.
b. De historische analyse toont aan dat bedrijven een heel ander karakter hebben dan nu.
Noem drie belangrijke verschillen.
c. Leg uit dat deze historische visie op kapitalisme en bedrijf qua methode Marxistisch te noemen is. (herlees communistisch manifest!).

4. Chomsky beweert later in de documentaire dat een bedrijf een juridische constructie is (geen iets dat gewoon bestaat).
a. Wat is er zo belangrijk aan dat juristen bij wet voor elkaar kregen dat een bedrijf als een ‘legal person’ wordt beschouwd?
b. Op welke ethisch twijfelachtige manier hebben juristen dit voor elkaar gekregen?

5. Welke spanning blijkt er te bestaan tussen winstoogmerk en het algemeen belang en de morele rol van bedrijven?

6.
a. Wat zijn externaliteiten?
b. In hoeverre is dit gebruik maken van externaliteiten door bedrijven moreel juist te noemen?

7. Een geïnterviewde vergelijkt een bedrijf met een haai. Welke opvatting over de morele verantwoordelijkheid van een bedrijf wil hij hiermee ‘verdedigen’?

8. Lage lonen in ontwikkelingslanden.
a. In hoeverre komen deze lage lonen tot stand in een vrije markt?
b. Op basis van welk ethisch principe is gebruik maken van lage lonen onethisch?
c. Welk argument geeft de ceo Walker om lage lonen moreel te rechtvaardigen?
d. Hoe zou Marx gezien het communistisch manifest oordelen over de rechtvaardigheid van lage lonen met een beroep op de vrije markt?

9. Welk moreel oordeel spreekt een CEO uit over bedrijven als hij spreekt van ‘generatietirannie’?

10.
a. De CEO van Goodyear schuift zijn eigen morele verantwoordelijkheid ter zijde. Op basis van welk argument doet hij dat?
b. In hoeverre zien we hetzelfde argument terug in de huidige kredietcrisis?

11. Welk Machiavellistisch wereldbeeld gebruikt de bedrijfspion ter verdediging van zijn handelen?

12. De enclosures worden gebruikt als een kenmerk van een specifiek proces dat het kapitalisme mogelijk maakt.
a. Wat zijn enclosures en welk proces wordt daarmee aangeduid?
b. Marx beweert in het communistisch manifest dat in het kapitalisme ‘al het heilige wordt onteerd’ en alles wordt gereduceerd tot ‘het naakte eigenbelang’.
Leg uit dat hij daarmee heel precies het proces van de enclosures benoemt.

13.
a. Welke definitie geeft een geïnterviewde van de maatstaf voor rijkdom binnen het kapitalisme.
b. Welke kritiek geeft ze op deze definitie van rijkdom?

14. Welke bezwaren worden er aangevoerd tegen privatisering van publieke goederen?

15. Reclame.
Hoe verdedigt de vice-president van media Initiative het ethische gehalte van de manipulatiestrategie gebaseerd op onderzoek naar ‘nagging’?

16. Chomsky spreekt over een ‘filosofie van nutteloosheid’.
a. Wat bedoelt hij hiermee?
b. Welke opvattingen van Rousseau kunnen we in Chomsky’s analyse terugzien?

17. Geef voorbeelden waaruit blijkt dat in het kapitalisme alles berekenbaar wordt gemaakt, ook als het gaat om mensen en hun onderlinge relaties.

18. Welke ethische discussie roert Jeremy Rifkin aan als het gaat om het patenteren van levende organismen. Wat bedoelt hij daarbij met het onderscheid tussen ‘intrinsic value’ en ‘utility’?

Vragen bij tekst over Adam Smith

Maken:

Vragen bij ‘De perfecte wereld van Adam Smith’ (uit: Heilbronner – Filosofen van het dagelijks brood p. 71-88)

1. P. 74.
Waarom is de Wealth of Nations een revolutionair boek?

2.
a. Omschrijf het mechanisme dat volgens Smith de samenleving bij elkaar houdt (vanaf p. 74).
b. Leg uit hoe Smith’s fameuze onzichtbare hand egoisme tot een maatschappelijke deugd maakt.
c. Leg het principe van prijsvorming uit en geef daarbij op welke wijze de mens als berekenbaar (denk aan Hobbes) wordt voorgesteld (va 75).
d. Op p. 79 wordt geclaimd dat prijsvorming automatisch werkt.
- Welke consequentie heeft dat voor de rol van de overheid?

3. Heilbronner beschrijft een paradox op p. 79: ‘Vrije prijsvorming, die het toppunt is van individuele vrijheid, is de meest onverbiddelijke meester die zich denken laat’.
a. Hoe krijgt de economie hier de status van een natuurwet aangemeten?
b. Hoe volgt hieruit dat morele kritiek op prijsvorming kan worden afgeweerd.

4. Welke kritiek zou Marx (herlees het communistisch manifest) gegeven hebben op
- prijsvorming als een natuurwet,
- De opvatting dat prijsvorming onder vrije condities voorkomt in de geschiedenis van de mens.
- De opvatting dat vrije prijsvorming tot een fijne en leuke samenleving zou leiden (zie p. 82-83)

5. Voor de historici onder ons graag kritiek op de voorstelling van zaken op p. 84 bovenaan.

6. Beschrijf principe en zegeningen van arbeidsdeling (va p. 84).

7.
a. Wat is de wet van accumulatie en wat heeft dat met kapitalisme te maken.
b. Waarom is in de wondere wereld van Adam Smith accumulatie ethisch in orde?

dinsdag 7 april 2009

Anti Communisme cartoon

Vragen:
1) Leg uit hoe -isme hier tegenover Vrijheid, Vrije markt en Kapitalisme wordt geplaatst.

2) De belangrijkste truc van de vrije markt ideologie is altijd geweest de vrije markt te presenteren als een natuurtoestand, iets dat gewoon is en niet verzonnen is zoals een idelogie en -isme.
Leg uit hoe dat in dit filmpje gebeurt.

3) Beargumenteer hoe de tekst van Locke op p. 94 als basis dient voor de rechtvaardiging van kapitalisme in dit filmpje.

4)
a. Welk bewijs van juistheid wordt door de verdediger van kapitalisme uiteindelijk vooral gegeven?
b. Leg uit dat binnen deze redenering economische groei en steeds grotere consumptie absoluut noodzakelijk is voor de rechtvaardiging van de juistheid van het kapitalisme.


Anti-communisme - Vrije Markt.

Communistisch Manifest: tekst, vragen filmpje

Marx en Engels: het communistisch manifest 1848

Cartoon Communstisch Manifest



Vragen bij het Communistisch Manifest


1.
a. Omschrijf wat Historisch Materialisme inhoudt (zie handboek p. 111).
b. Geef aan de hand van twee concrete tekstpassages uit het Communistisch Manifest aan hoe Marx het Historisch Materialisme als motor van de veranderingen in de geschiedenis presenteert.

2. Marx onderscheidt verschillende maatschappijtypes: de slavenmaatschappij, de feodale maatschappij, en burgerlijke maatschappij.
Geef voor elk van deze maatschappijtypes aan hoe de machtsverhoudingen liggen.

3. Marx beschrijft hoe de burgerlijke maatschappij de feodale maatschappij heeft verdreven.
Hoe is dit proces in zijn gang gegaan en welke rol speelde het kapitalisme hierin?

4. Marx stond negatief tegenover het kapitalisme. Desalniettemin beschrijft hij ook de verdiensten van het kapitalisme.
a. Welke nieuwe ontwikkelingen hefet het kapitalisme geinitieerd?
b. Wat beheerst de onderlinge menselijke verhoudingen binnen het kapitalisme? Maak bij beantwoording van deze vraag gebruik van het begrip ‘ruilwaarde’.
c. Wat bedoelt Marx met onderstaande uitspraak: ‘Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen, voordat zij zich kunnen verstenen.’
5. Momenteel maakt iedereen zich druk over de economische crisis. Waarom is het volgens Marx’ analyse van het kapitalisme onzin om van een crisis te spreken? Zorgvuldig beargumenteren.

Inleiding
Een spook waart door Europa - het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, Metternich en Guizot, Franse radicalen en Duitse politiemannen.
Waar is de oppositiepartij, die niet door haar regerende tegenstanders als communistisch is gedoodverfd, waar de oppositiepartij die niet de meer vooruitstrevende mannen van de oppositie, zowel als haar reactionaire tegenstanders het brandmerkende verwijt van het communisme voor de voeten heeft teruggeworpen?
Uit dit feit vloeien twee dingen voort.
Het communisme wordt reeds door alle Europese machten als een macht erkend.
Het is hoog tijd dat de communisten hun opvattingen, hun oogmerken, hun tendenzen openlijk voor de gehele wereld ontvouwen en tegenover het sprookje van het spook van het communisme een manifest van de partij zelf plaatsen.
Voor dit doel zijn communisten van de meest verschillende nationaliteiten in Londen bijeengekomen en hebben zij het volgende manifest ontworpen, dat in de Engelse, Franse, Duitse, Italiaanse, Vlaamse en Deense taal wordt gepubliceerd.
I. Bourgeois en proletariërs
De geschiedenis van iedere maatschappij tot nu toe is de geschiedenis van de klassenstrijd. [1]
Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildenmeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte dan weer open strijd, een strijd die ieder keer eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen.
In de vroegere tijdperken van de geschiedenis vinden wij bijna overal een volledige verdeling van de maatschappij in verschillende standen, een veelvoudige trap van maatschappelijke rangen. In het oude Rome hebben wij patriciërs, ridders, plebejers, slaven; in de Middeleeuwen leenheren, vazallen, gildenmeesters, gezellen, lijfeigenen en bovendien in bijna ieder van deze klassen nog bijzondere rangschikkingen.
De uit de ondergang van de feodale maatschappij voortgekomen moderne burgerlijke maatschappij heeft de klassentegenstellingen niet opgeheven. Zij heeft slechts nieuwe klassen, nieuwe voorwaarden van onderdrukking, nieuwe vormen van strijd in de plaats van de oude gesteld.
Ons tijdvak, het tijdvak van de bourgeoisie, kenmerkt zich evenwel hierdoor dat het de klassentegenstellingen vereenvoudigd heeft. De gehele maatschappij splitst zich meer en meer in twee grote vijandelijke kampen, in twee grote lijnrecht tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat.
Uit de lijfeigenen van de middeleeuwen zijn de poorters van de eerste steden voortgekomen; uit deze poorterschap hebben zich de eerste elementen van de bourgeoisie ontwikkeld.
De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en van de goederen in het algemeen, gaven aan de handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling
Het tot hier toe heersende feodale of gildenbedrijf van de industrie was niet toereikend meer voor de met nieuwe markten aangroeiende behoefte. De manufactuur trad in zijn plaats. De gildenmeesters werden verdrongen door de industriële middenstand; de verdeling van de arbeid tussen de verschillende corporaties verdween voor de verdeling van de arbeid in de afzonderlijke werkplaats zelf.
Maar steeds groeiden de markten aan, steeds steeg de behoefte. Ook de manufactuur was niet meer toereikend.
Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industriële productie. In de plaats van de manufactuur kwam de moderne grootindustrie, in de plaats van de industriële middenstand kwamen de industriële miljonairs, de chefs van gehele industriële legers, de moderne bourgeois.
De grootindustrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan de handel, de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze heeft op haar beurt op de uitbreiding van de industrie ingewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op de achtergrond.
We zien dus hoe de moderne bourgeoisie zelf het product is van een lange ontwikkelingsgang, van een reeks van veranderingen in de productiewijze en in de wijze van verkeer.
Ieder van deze trappen van ontwikkeling van de bourgeoisie werd begeleid door een daarmee overeenkomende politieke stap voorwaarts. Onderdrukte stand onder de heerschappij van de feodale heren, gewapend en zichzelf besturend verbond in de Commune [2], hier onafhankelijke republikeinse stad, daar belastingplichtige derde stand van de monarchie, dan in de tijd van de manufactuur tegenwicht tegen de adel in de constitutionele of in de absolute monarchie, voornaamste fundament van de monarchieën in het algemeen, bevocht zij voor zich eindelijk, sinds de vestiging van de grootindustrie en van de wereldmarkt, in de moderne staat met volksvertegenwoordiging de politieke alleenheerschappij. De moderne staatsmacht is slechts een comité dat de gemeenschappelijke zaken van de gehele burgerklasse beheert.
De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld.
De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle feodale, aartsvaderlijke, idyllische verhoudingen vernield. Zij heeft de bontgeschakeerde feodale banden, die de mens aan de van nature boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen andere band tussen mens en mens overgelaten dan het naakte eigenbelang, dan de gevoelloze ‘contante betaling’. Zij heeft de heilige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift, van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in de ruilwaarde opgelost en in de plaats van de talloze verleende en verworven vrijheden als enige vrijheid de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats van de met godsdienstige en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke, schaamteloze, directe, dorre uitbuiting gesteld.
De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde ambten van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de geneesheer, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie heeft van de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht.
De bourgeoisie heeft onthuld hoe de brutale krachtuiting, die de reactie zozeer in de Middeleeuwen bewondert, haar passende aanvulling vond in de traagste dagdieverij. Ze heeft als eerste bewezen wat de werkkracht van de mensen tot stand brengen kan. Zij heeft nog heel andere wonderwerken voltooid dan Egyptische piramides, Romeinse waterleidingen en Gotische kathedralen, zij heeft nog heel andere tochten volbracht dan volksverhuizingen en kruistochten.
De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productiemiddelen, dus de productieverhoudingen, dus de gezamenlijke maatschappelijke verhoudingen voortdurend te revolutioneren. Onveranderde instandhouding van de oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde van alle vroegere industriële klassen. De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken schok aan alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verouderen, voordat zij zich kunnen verstenen. Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanzien.
De behoefde aan een steeds uitgebreider afzet van haar producten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknopen.
De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot verdriet van de reactionairen aan de industrie de nationale bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd. Zij worden verdrongen door nieuwe industrieën, waarvan de invoering tot een levenskwestie voor alle beschaafde volkeren wordt, door industrieën, die met meer inheemse grondstoffen, maar grondstoffen uit de verste streken van de aarde verwerken en waarvan de fabrikaten niet alleen in het land zelf, maar in alle werelddelen tegelijk worden verbruikt. In de plaats van de oude, door producten van het eigen land bevredigde behoeften komen nieuwe, die de producten van de verste landen tot hun bevrediging vereisen. In de plaats van de oude lokale en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid komt er een veelzijdig verkeer, een veelzijdige afhankelijkheid van de volkeren onderling. De geestelijke voortbrengselen van de afzonderlijke naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en beperktheid wordt meer en meer onmogelijk, en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur.
De bourgeoisie rukt door de snelle verbetering van alle productiemiddelen, door het onnodig gemakkelijker verkeer alle, ook de meest barbaarse volken in de kring van de beschaving.
De goedkope prijzen van haar waren zijn de zware artillerie, waarmee zij alle Chinese muren tegen de grond schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren tot overgave dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, wanneer zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zich in te voeren, d.w.z. bourgeois te worden. Met één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.
De bourgeoisie heeft het land aan de heerschappij van de stad onderworpen. Zij heeft enorme steden geschapen, zij heeft het aantal van de stedelijke tegenover de landelijke bevolking in hoge graad vermeerderd en aldus een belangrijk deel van de bevolking aan de afstomping van het landleven ontrukt. Net zoals het land van de stad heeft zij de barbaarse en halfbarbaarse landen van de beschaafde, de boerenvolken van de bourgeoisvolken, het Oosten van het Westen afhankelijk gemaakt.
De bourgeoisie heft meer en meer de versnippering van de productiemiddelen, van het bezit en van de bevolking op. Zij heeft de bevolking op plaatsen opeengehoopt, de productiemiddelen gecentraliseerd en het eigendom in weinige handen geconcentreerd. Het noodzakelijk gevolg hiervan was de staatkundige centralisatie. Bijna onafhankelijke, alleen verbonden provincies met verschillende belangen, wetten, regeringen en tollen werden samengedrongen in één natie, één regering, één wet, één nationaal klassenbelang, één douanegrens.
De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderdjarige klassenheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle verdwenen geslachten samen. Onderwerping van de natuurkrachten, machinerie, aanwending van de scheikunde op nijverheid en landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, ontginning van gehele werelddelen, het bevaarbaar maken van de rivieren, gehele uit de grond gestampte bevolkingen — welke vroegere eeuw vermoedde dat zulke productiekrachten in de schoot van de maatschappelijke arbeid sluimerden?
We hebben dus gezien: De productie- en verkeersmiddelen, op welker grondslag de bourgeoisie zich ontwikkelde, werden in de feodale maatschappij geschapen. Op een zekere trap van de ontwikkeling van deze productie- en verkeersmiddelen stemden de verhoudingen, waarin de feodale maatschappij produceerde en ruilde, de feodale organisatie van landbouw en manufactuur, met één woord de feodale eigendomsverhoudingen, niet meer overeen met de reeds ontwikkelde productiekrachten. Zij hielden de productie tegen, in plaats van ze te bevorderen. Zij veranderden in even zo vele boeien. Zij moesten verscheurd worden, zij werden verscheurd.
In hun plaats trad de vrije concurrentie met de haar passende maatschappelijke en staatkundige inrichting, met de economische en politieke heerschappij van de burgerlijke klasse.
Onder onze ogen heeft een dergelijke beweging plaats. De burgerlijke productie- en verkeersverhoudingen, de burgerlijke eigendomsverhoudingen, de moderne burgerlijke maatschappij, die zulke geweldige productie- en verkeersmiddelen te voorschijn getoverd heeft, gelijkt op de heksenmeester die de onderaardse machten niet meer beheersen kan die hij zelf opriep. Sinds tientallen jaren is de geschiedenis van nijverheid en handel slechts de geschiedenis van de opstand van de moderne productiekrachten tegen de moderne productieverhoudingen, tegen de eigendomsverhoudingen, die de levensvoorwaarden zijn van de bourgeosie en van haar heerschappij. Het is voldoende de handelscrisissen te noemen, die met hun periodieke terugkeer telkens dreigender het bestaan van de gehele burgerlijke maatschappij in gevaar brengen. In de handelscrisissen wordt een groot gedeelte niet alleen van de voortgebrachte producten, maar van de reeds geschapen productiekrachten geregeld vernietigd. In de crisissen breekt een maatschappelijke epidemie uit, die voor alle vroegere periodes iets onzinnigs zou hebben geleken — de epidemie van de overproductie. De maatschappij vindt zich plotseling teruggezet in een toestand van ogenblikkelijke barbaarsheid; een hongersnood, een algemeene verdelgingsoorlog schijnen haar alle levensmiddelen te hebben afgesneden: de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel levensmiddelen, te veel industrie, te veel handel bezit. De productiekrachten, die haar ter beschikking staan, dienen niet meer tot bevordering van de burgerlijke eigendomsverhoudingen; integendeel, zij zijn te geweldig geworden voor deze verhoudingen, zij worden belemmerd en zodra zij deze belemmering overwinnen, brengen zij de gehele burgerlijke maatschappij in wanorde, brengen zij het bestaan van het burgerlijk eigendom in gevaar. De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden, om de door hen voortgebrachte rijkdom te omvatten. Waardoor overwint de bourgeoisie de crisissen? Aan de ene kant door de gedwongen vernietiging van een massa productiekrachten; aan de andere kant door de verovering van nieuwe markten, en de nog grondiger exploitatie van oude markten. Waardoor dus? Doordat zij alzijdiger en geweldiger crisissen voorbereidt en de middelen om de crisissen te voorkomen, vermindert.
De wapens waarmee de bourgeoisie de feodaliteit neer heeft geslagen, keren zich nu tegen de bourgeoisie zelf.
Maar de bourgeoisie heeft niet alleen de wapens gesmeed die haar de dood brengen; zij heeft ook de mannen geteeld die deze wapens zullen hanteren — de moderne arbeiders, de proletariërs.

Werkoverzicht: Revolutie in naam van...?

Revolutie in naam van ....?

Inleiding: In de moderne tijd is verandering de norm. We moeten steeds maar weer vooruit om meer vooruitgang te boeken. In pre-moderne tijden was stabiliteit en orde het ideaal. Denk bijvoorbeeld aan de Egyptische cultuur of aan het Christendom. Elke verandering werd daar gezien als een verlies van orde. Met verandering dreigde chaos. Vrijheid was in die stabiele samenlevingen al helemaal verdacht: vrijheid staat gelijk aan wanorde, chaos en permanente strijd. Bij Machiavelli, Hobbes, Rousseau en Locke is verandering in zekere zin nog problematisch. Bij Machiavelli is er eigenlijk alleen het krachtenspel van vijanden waarin het recht van de sterkste geldt. Bij Hobbes resulteert dit krachtenspel in een stabiele orde waarin vrijheid opgeofferd wordt aan een monarch. Het redeneren vanuit een natuurtoestand vooronderstelt ook reeds een stabiele opvatting over de natuur van de mens. Bij Rousseau en Locke is dit ook het geval. Zeker, met de natuurtoestand als maatstaf was het mogelijk de bestaande maatschappelijke orde (standenmaatschappij, ongelijkheid) te bekritiseren en te veranderen. Dit gebeurde in de Franse Revolutie en de Amerikaanse revolutie aan het einde van de 18e eeuw. Maar als de maatschappij eenmaal gevormd is naar het ideaal van de natuurtoestand dan is echte verandering niet meer aan de orde.
Met Hegel en Marx komen we in de eredivisie van het denken terecht en laten we de toch wat eenzijdige en simpele voorstelling van zaken als bij Hobbes, Rousseau en Locke achter ons. Het denken vanuit een natuurtoestand wordt terecht verworpen als een ontoereikende truc. Een filosoof mag nooit zomaar iets postuleren. Gedachte-experimenten als bij Locke zijn uit den boze. Het denken en de concrete, historische werkelijkheid zijn onlosmakelijk op elkaar betrokken. Bij Hegel en Marx zien we voor het eerst het idee dat waarheid samenhangt met tijd en plaats, dat in de geschiedenis een ontwikkeling van het denken plaatsvindt. Zoiets als een stabiele natuurtoestand past daar uiteraard niet in. Maar ondanks de permanente verandering is er volgens Hegel en Marx wel degelijk een vooruitgang in de geschiedenis te ontwaren. Ook bij hen komt de geschiedenis ergens tot stilstand. Kort na 1989 was dit idee enorm populair. Na de val van het Sovjetcommunisme werd door F. Fukuyama het einde van de geschiedenis afgekondigd. Het enige overgebleven maatschappijmodel dat levensvatbaar bleek, was de sociaal-democratie gecombineerd met een kapitalistische, economische orde. Deze opvatting van Fukyama zien we direct terug in de periode Bush waarin het uitgangspunt was deze orde aan andere landen op te leggen (denk aan Irak).
Maar kwam de geschiedenis zo aan zijn einde? Tot aan de vakantie gaan we enkele (r)evolutionaire veranderingsbewegingen bestuderen. Meer specifiek: de economische kredietcrisis, de groene revolutie, milieuactivisme, klimaatcrisis en dierenrechten. Een aantal vragen staat hierbij centraal:
- Wie of wat veroorzaakt verandering? Is de samenleving maakbaar of zijn we overgeleverd aan hogere machten? Wie zijn de actoren van veranderingen (de staat, het individu, een cultuur, een volk, de arbeiders, de intellectuelen)
- Welke veranderingen worden er voorgesteld? Op basis van welke criteria wordt die verandering als gerechtvaardigd gezien?
- Hoe moeten veranderingen doorgevoerd worden? Naionaal, suprantionaal, vanuit individu, bedrijven? Mogen de veranderingen alleen via democratische weg afgedwongen worden? Mogen er doden bij vallen? Mag er een oorlog voor gevoerd worden?



Cijfer:
1) Toets (60%)
- Gespecificeerde pagina’s uit het handboek.
- Behandelde aanvullende literatuur.
- Bekeken documentaires.

2) Essay over een van de behandelde onderwerpen. (40%)



*Week 6 -10 april


Karl Marx en de communistische revolutie, I
Boek: 111-114, 158.
Taak: 6.90, 6.91, 6.92 plus vragen communistisch manifest (zie blog)

Extra:
Marx – Engels: Communistisch manifest


* Week 13-17 april
Karl Marx en de Vrije Markt II

Extra tekst over:
De perfecte wereld van Adam Smith. Uit: filosofen van het dagelijkse brood van Robert L. Heilbroner.

Taak:
Vragen over tekst Adam Smith. (zie elders op blog)
Vragen over cartoon kapitalisme. (zie elders op blog)


* Week 20-24 april
Hedendaags kapitalisme: Neo-liberalisme en de Shock Doctrine
Documentaire: The Corporation

Extra tekst
– Naomi Klein: ‘Milton Friedman en de zoektocht naar een laboratorium voor laissez faire’ (The Shock Doctrine p. 66-97)
- Milton Friedman – Pleidooi voor privatiseren (Uit: NRC, zie blog).

Taak:
Inleveren PO
Lezen: extra teksten
Maken: Vragen over extra tekst Naomi Klein tot en met (zie blog).


VAKANTIE


week 4 mei – 8 mei

Taak:
Lezen:
Maken: Vragen over extra tekst Naomi Klein tot en met einde(zie blog).
Vragen bij The Corporation



Week 11 mei 15 mei

Bio-industrie, dierenrechten en de honger in de wereld I.

Extra tekst:
Peter Singer – Inleiding Dierenbevrijding
Eric Schlosser – Fast Food Nation.
Documentaire We feed the world

Taak:
Lezen: extra teksten plus handboek ....
Maken: vragen bij de tekst en de docu.


Week 18-22 mei

Bio-industrie, dierenrechten en de honger in de wereld II.

Extra tekst:
Peter Singer – Inleiding Dierenbevrijding
Eric Schlosser – Fast Food Nation.
Documentaire We feed the world

Taak:
Lezen: extra teksten plus handboek ....
Maken: vragen bij de tekst en de docu.


* Week 25-29 mei

De energiecrisis en de klimaatcrisis I

Extra teksten: ?
Docu: De waterstofrevolutie (tegenlicht)


* Week 1 juni – 5 juni

De energiecrisis en de klimaatcrisis II

Extra teksten: ?
Docu: De waterstofrevolutie (tegenlicht)


week 8 juni 12 juni

Taak:
Lezen:
Maken:

Milton Friedman: Privatiseren mag geen half werk zijn

Opinie Opinie | Woensdag 01-09-1999 | Sectie: Overig | Pagina: 7 | Milton Friedman
Privatiseren is `in'. Maar lang niet altijd wil de overheid de markt voor honderd procent zeggenschap geven. Die houding vraagt echter om problemen, die met een volledige privatisering voorkomen kunnen worden, meent Milton Friedman.

De `markt' geldt tegenwoordig ofwel als ultieme triomfator ofwel als ernstige bedreiging. Politici speuren alom naar een `derde weg' langs de scherpe kanten van de markt en smachten naar `vaderlandse topbedrijven' in sectoren zoals telecommunicatie, die de mondialisering kunnen tegenhouden. Echter, de markt is gewoon een mechanisme dat voor allerlei doeleinden kan worden ingezet. Al naar gelang van het gebruik dat men ervan maakt, kan de markt de maatschappelijke en economische ontwikkeling stimuleren of belemmeren.

Het gaat er niet om of men de markt gebruikt of niet. Iedere maatschappij - communistisch, socialistisch of kapitalistisch - gebruikt de markt. Het cruciale onderscheid is de particuliere eigendom. Wie zijn de deelnemers in de markt en namens wie handelen zij? Zijn de deelnemers overheidsbureaucraten die handelen namens `de staat'? Of zijn het individuen die handelen namens zichzelf?

Tijdens een bezoek aan China werd me eens door een onderminister gevraagd: ,,Wie gaat in Amerika over de distributie van grondstoffen?'' Ik was hoogst verbaasd, maar de vraag was eigenlijk heel logisch: immers, voor een burger uit een planeconomie viel nu eenmaal niet te begrijpen hoe markten grondstoffen distribueren naar miljoenen mensen voor duizenden doeleinden zonder dat de politiek zich ermee bemoeit.

De invoer van meer particuliere marktmechanismen kan geheel of gedeeltelijk mislukken als de verandering te gering is, iets waarop men bedacht moet zijn bij de huidige overnamegolf in Europa. Als voorbeeld kan de deregulering van de Amerikaanse burgerluchtvaart, twintig jaar geleden, dienen. De concurrentie nam hierdoor toe, wat leidde tot gereduceerde prijzen en nieuwe dienstvormen. Het luchtvaartverkeer nam toe. Maar terwijl de maatschappijen werden `geprivatiseerd' - lees: bevrijd van overdreven staatscontrole - gold dat niet voor de luchthavens. Die bleven in bezit en beheer van de overheid. En terwijl de deregulering de vraag opstuwde, steeg het aantal vertraagde vluchten op de luchthavens.

De overheid gaf de schuld aan de particuliere maatschappijen. Die moesten in het vervolg vertragingen rapporteren. Pogingen om de markt aan het werk te zetten door bijvoorbeeld de gates en vertrektijden bij opbod te verkopen, werden gefrustreerd, vooral door luchtvaartmaatschappijen met gevestigde belangen. De beste oplossing was geweest de luchthavens te privatiseren, zoals de Britten hadden gedaan en zoals Italië en Polen van plan zijn.

Het privatiseren van sommige fabriekssectoren waarbij de overheid de prijzen blijft bepalen is ook zo'n halfslachtig ideetje. Als prijzen niet overeenstemmen met hun marktwaarde, dan is zelfs een efficiënte particuliere bedrijfsvoering maatschappelijke verspilling.

In de Indiase deelstaat Punjab stond een fietsenfabriek. De regering wees vaste quota staal toe in plaats van de marktprijs te rekenen. De fietsenfabrikant kon niet zoveel staal tegen de officiële prijs inslaan als hij nodig had. Maar er was wel een particuliere markt in stalen (half)fabrikaten. Dus vulde de fabrikant zijn rantsoen aan door stalen halffabrikaten te kopen en om te smelten - niet een erg efficiënte manier om ijzererts en steenkool in fietsen om te zetten.

Wil de `derde weg' iets inhouden, dan moet die zich richten op het elimineren van politieke belemmeringen die verbreding van de markt in de weg staan. Niet alleen bestaat het gevaar dat zulke belemmeringen pogingen om de markt te liberaliseren zullen frustreren, maar ook en evenzeer dat het overwinnen van die politieke belemmeringen de voordelen van een geliberaliseerde markt te niet zullen doen. De opgave is nu die belemmeringen te overwinnen zonder dat dat laatste gebeurt. Een relevant voorbeeld uit Amerika betreft de privatisering van het postwezen. De US Postal Service heeft een wettelijk monopolie op de bezorging van briefpost. Er is een sluipende privatisering in de vorm van de United Parcel Service (UPS), de Federal Express en andere koeriersdiensten. Ook e-mail en andere technologische ontwikkelingen spelen een steeds belangrijker rol.

Herhaalde pogingen de postwet afgeschaft te krijgen hebben geleid tot felle protesten van de vakbonden van postpersoneel, kaderpersoneel bij de Postal Service en bewoners van afgelegen gebieden die teruggang van de dienstverlening vrezen. Anderzijds hebben maar weinig mensen serieuze belangen die hen tot voorstanders van afschaffing maken. Ondernemers die een posterijbedrijf zouden kunnen opzetten, weten van tevoren niet dat ze dat zullen gaan doen. En ook de honderdduizenden mensen die zonder twijfel werk zouden vinden bij de nieuwe, particuliere bedrijven hebben er nog geen benul van dat dat zou gebeuren.

Een Congreslid tegen wie ik eens voor afschaffing van de postwet pleitte, zei: ,,U en ik kennen de machtige groeperingen die tegen de afschaffing zouden ageren. Kunt u me een lijst geven van mensen die zich sterk willen maken vóór afschaffing?'' Dat kon ik niet, en hij heeft het wetsvoorstel nooit ingediend. Er waren onder het postmonopolie machtige belangen gevestigd; de oppositie was versnipperd.

Eén manier om het verzet tegen privatisering te overwinnen is het categoriseren van potentiële tegenstanders en hun een punt van de taart te gunnen in de vorm van bijvoorbeeld aandelen - een type populistisch kapitalisme waar mevrouw Thatcher sterk in was. Een te vermijden valkuil hierbij is dat men de taart glaceert door een overheidsmonopolie om te zetten in een particulier monopolie: dat levert weliswaar een verbetering op, maar blijft ver achter bij het verlangde resultaat.

De Amerikaanse Postdienst illustreert die valkuil, alsook de misvatting dat je door de vorm van de particuliere onderneming na te bootsen de inhoud kunt realiseren. De dienst is opgezet als een in naam onafhankelijk overheidsbedrijf dat niet onderworpen zou zijn aan politieke invloed en volgens het marktbeginsel zou opereren. Daar is begrijpelijkerwijs niets van terechtgekomen. Het bleef een monopolie en heeft bij gebrek aan particulier belang nooit een krachtig streven naar efficiëntie gekend.

Het overwinnen van gevestigde belangen en het tegengaan van ijdel gewin is een probleem dat zich voordoet bij vrijwel iedere poging het overheidsbeleid te wijzigen, of het nu gaat om de privatisering van de telecommunicatie of het verlagen van agrarische subsidies. Deze `tirannie van de status quo' is de voornaamste reden waarom politieke mechanismen zoveel minder doelmatig zijn dan vrije-marktmechanismen wat betreft het stimuleren van dynamische verandering en het genereren van groei en welvaart.

Voor het overwinnen van de tirannie van de status quo bestaan nauwelijks regels. Maar één ding staat als een paal boven water: als je een overheidsactiviteit privatiseert, privatiseer die dan compleet. Weiger compromissen zoals gedeeltelijke privatisering of gedeeltelijke vermindering van de overheidscontrole. Daardoor blijft altijd een harde kern van tegenstanders aanwezig die zich (veelal met succes) zullen beijveren om de verandering ongedaan te maken.

maandag 6 april 2009

Hoe Friedman een held werd

Opinie Opinie | Maandag 20-11-2006 | Sectie: Overig | Pagina: 07 | Lawrence Summers; Leszek Balcerowicz
De Amerikaanse econoom Milton Friedman, vorige week overleden, is vaak verguisd. Maar voor de minister van Schatkist onder Clinton veranderde hij van de duivel in een held, en de gouverneur van de Poolse centrale bank beschouwt Friedman als de intellectuele architect van de omwentelingen in Oost-Europa.

Als John Maynard Keynes de invloedrijkste econoom was van de eerste helft van de twintigste eeuw, dan was Milton Friedman dat in de tweede helft.

Niet zo lang geleden waren wij allemaal keynesianen. (Ik ben een keynesiaan, zei Richard Nixon in 1971.) Nu zal iedere eerlijke Democraat toegeven dat wij allemaal Friedmanieten zijn geworden. Friedman heeft nooit een officieel ambt bekleed, maar heeft meer dan enige andere moderne figuur invloed gehad op het economisch beleid vandaag de dag, over de hele wereld.

Ik ben opgegroeid in een familie van progressieve economen, waar Milton Friedman als de duivel gold. Maar toen ik zelf economie ging studeren en de ontwikkeling van de wereld voortschreed, voelde ik eerst een aarzelend respect en daarna bewondering. [...]

Friedman is wellicht het bekendst wegens zijn ideeën over geld en monetair beleid. Nog steeds wordt er fel gedebatteerd over de vraag hoe centrale banken het monetair beleid moeten uitstippelen. Maar de achtergrond daarbij is vrijwel volledige overeenstemming over een paar fundamentele aspecten: dat het monetair beleid beter in staat is een economie vorm te geven dan het begrotingsbeleid; dat aanhoudend hoge inflatie niet zal leiden tot welvaart, misschien zelfs tot een lagere levensstandaard; en dat beleidsmakers hun economieën niet tot in de puntjes kunnen afstemmen, omdat die nu eenmaal fluctueren. [...] Maar de belangrijkste bijdrage van Friedman is dat hij mensen heeft overtuigd van het belang van het vrijelijk laten functioneren van open markten.

Tegenwoordig vinden we het de normaalste zaak van de wereld dat vrije financiële markten het financiële verkeer regelen. De dollar fluctueert ten opzichte van andere munten en een hele industrie houdt zich bezig met de handel in termijncontracten en opties op rentestanden en valutakoersen. Toen Friedman voor het eerst flexibele wisselkoersen en open financiële markten voorstelde, dacht men dat die destabiliserend zouden werken en dat regeringen het grensoverschrijdende internationale kapitaalverkeer zouden moeten controleren.

Friedman zal wellicht nooit aan het langste eind trekken als het gaat om onderwijs, legalisering van drugs of de afschaffing van specifieke eisen aan de beroepsuitoefening van advocaten, artsen en andere vrije beroepen. Maar zelfs op deze terreinen zijn de meningen en het beleid onder invloed van zijn argumenten veranderd.

Friedman en ik hebben bij verkiezingen waarschijnlijk nooit op dezelfde partij gestemd. In mijn optiek had hij te weinig oog voor sociale rechtvaardigheid en was hij veel te cynisch over de mogelijkheden van collectieve actie om de levens van mensen te verbeteren. Ik geloof dat sommige uitdagingen waarmee we nu worden geconfronteerd, zoals de toenemende ongelijkheid en de wereldwijde klimaatverandering, vergen dat de vrije markt wordt afgeremd in plaats van vereerd. [...[ Maar hij was [...] een man die aantoonde dat grote ideeën, mits overtuigend gebracht, wel degelijk de levens van mensen kunnen veranderen.

Door Friedman is de manier waarop regeringen economisch beleid voeren, ingrijpend veranderd. Niet meer financiële prikkels en sturing door de overheid zijn het voornaamste economische instrument, maar monetair beleid, gevoerd door onafhankelijke centrale banken. Zo maakte het keynesiaanse vraagmanagement plaats voor een nieuw inzicht - in hoofdzaak te danken aan Friedman - dat macro-economische duurzaamheid het best wordt gewaarborgd door begrotingsdiscipline en prijsstabiliteit.

Al even belangrijk en invloedrijk waren zijn ideeën over de rol van de staat. Samen met Hayek, zijn collega aan de Universiteit van Chicago, lanceerde Friedman een bredere aanval op het keynesianisme, waarbij hij betoogde dat iedere regering die de economie reguleert met een beroep op gelijkheid, een gevaar vormt voor de vrijheid van het individu.

Friedman presenteerde een visie op de vrijheid die aanlokkelijk én realiseerbaar was. Zijn boek Free to choose werd in de jaren tachtig illegaal gepubliceerd in Polen en heeft in de donkerste jaren van het communistische bewind mij en vele anderen helpen dromen van een vrije toekomst. Met grote helderheid zette hij voor een breed publiek een overtuigende politieke visie uiteen, mét concrete beleidsvoorstellen. Zo kwam hij als eerste met het idee van de school vouchers (schoolbonnen), met het argument dat particuliere concurrentie tot beter onderwijs zou leiden dan overheidsbemoeienis.

Friedman werd zo een baken voor economische conservatieven in heel de wereld. Dankzij zijn invloed op de regering van Margaret Thatcher is Groot-Brittannië van een postindustrieel, door klassenstrijd beheerst wrak de sterkste economie van Europa geworden. Van hem kwam ook de aanzet tot de nu gangbare methode om politieke en economische vrijheid transnationaal te meten en te vergelijken, wat opinievormend werkt in landen die de vrijheid inperken.

Friedman streek met zijn consequente anti-etatisme ook veel conservatieven tegen de haren in - een blijk van de intellectuele eerlijkheid die karakteristiek was voor zijn loopbaan. Zo verzette hij zich tegen alle overheidspogingen om het doen en laten van de mens te regelen, met inbegrip van vergunningen voor artsen en chauffeurs. Antidrugswetten stimuleerden volgens hem de georganiseerde misdaad, en hij verzette zich fel tegen de dienstplicht in Amerika.

Al heeft hij niet al zijn intellectuele veldslagen gewonnen, er is vrijwel niemand van wie stelliger kan worden gezegd dat zijn werk van blijvende invloed zal zijn. Ik leef nu in een vrij Polen, en ik beschouw Milton Friedman als een van de belangrijkste intellectuele architecten van onze vrijheid.

Info: Lawrence Summers, minister van Schatkist in de regering-Clinton, nu hoogleraar economie op Harvard. Leszek Balcerowicz leidde als vice-premier de economische overgang van Polen uit het communisme en is nu president van de Poolse Centrale Bank.

De naam van het virus is aandeelhouderswaarde

Opinie Opinie | Zaterdag 07-04-2007 | Sectie: Overig | Pagina: 15 | Arjen van Witteloostuijn
Sinds ons bestel eind jaren tachtig ingrijpend veranderde, lopen de belangen van topmanagers parallel met die van de aandeelhouders. De kloof tussen burgers en topmanagers is inmiddels veel groter dan die tussen burgers en politici. Maar misschien is de wal langzamerhand bezig het schip te keren.

Boekenkasten zijn vol geschreven over de kloof tussen burger en overheid. Sinds een kwarteeuw staat de overheid bijna permanent in het beklaagdenbankje. Het bedrijfsleven is daarentegen juist op het schild gehesen. Alleen daar wordt werkelijke waarde geproduceerd. Beter directeur van een kauwgomballenfabriek dan minister-president van Nederland - dat idee. Maar de kloof tussen de bedrijfstop en de burger is veel dieper dan die tussen de overheid en diezelfde burger. De moderne topmanager is zo ver verheven boven het geploeter in de echte wereld dat het contact met de werkelijkheid verloren is gegaan.

De wortel van die kloof tussen burger en bedrijfstop ligt in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Toen is door Reagan en Thatcher de neoliberale revolutie gelanceerd. De markt werd heilig verklaard. Privatiseringen en liberaliseringen zijn sindsdien schering en inslag. In het kielzog van deze revolutie op macroniveau zijn op microniveau de bakens verzet in de richting van een versterking van het aandeelhouderskapitalisme. Dat staat in contrast tot het belanghebbendenmodel van bedrijfsvoering, dat tot diep in de jaren tachtig in zwang was. In de VS verschenen toen diepgravende analyses over het Japanse gevaar. Het continentaal-Europese (of Rijnlandse) en Oost-Aziatische harmoniemodel werd superieur geacht aan zijn Angelsaksische conflicttegenvoeter. Met de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van de Japanse economie werd alles op zijn kop gezet. Duitsland raakte verstrikt in pogingen de failliete Oost-Duitse economie te revitaliseren. En het starre Japanse systeem werd weggeblazen in de storm die opstak ten gevolge van de mondiale liberalisering van financiële markten.

De nieuwe leidraad werd aandeelhoudersmaximalisatie: het bedrijf is alleen op aarde om de waarde voor de aandeelhouder te maximaliseren in de vorm van stijgende beurskoersen en dito dividenduitkeringen. Het was een modern jasje voor een stokoude filosofie die teruggaat tot het gedachtengoed van vermaarde economen als Adam Smith, Friedrich von Hayek en Milton Friedman: door winstmaximalisatie na te streven zorgen ondernemingen via de onzichtbare hand van marktwerking vanzelf voor maximale welvaart.

Met de economische en financiële liberalisering en de nadruk op aandeelhouderswaarde is het kortetermijnspel van de beurs dominant geworden. Hierin verslaat het Angelsaksische aandeelhoudersbedrijf de Rijnlandse belanghebbendenonderneming met - in wielrenjargon - twee vingers in de neus. De eerste stelt immers het directe kortetermijnbelang van de kapitaalverschaffer centraal, terwijl in die ouderwetse belanghebbendenonderneming het aandeelhoudersbelang wordt afgewogen tegen dat van allerlei andere partijen. Wie geld heeft, kiest voor het bedrijf dat het directe aandeelhoudersbelang als dominante richtsnoer hanteert.

De macht van het mobiele kapitaal is dusdanig groot geworden dat de verspreiding van het aandeelhouderswaardevirus onstuitbaar is. Het kapitaalresidu dat zijn weg toch nog naar belanghebbendenondernemingen weet te vinden, wordt steeds kleiner. Toegang tot het aandeelhouderskapitaal vergt in toenemende mate publieke omarming van het aandeelhouderswaardemotief. Deze ontwikkeling wordt verder versterkt via processen van imitatie. Overal worden dezelfde adviesbureaus ingehuurd die in hun powerpointpresentaties adviseren processen te herontwerpen, niet-kernactiviteiten uit te besteden, prestatiebeloningen in te voeren, de organisatie te kantelen, et cetera.

Met het aantrekken van gekloonde managers wordt de groep van gelijkgezinden verder vergroot. De ene topmanager is inwisselbaar voor de andere. Kennis van het eigenlijke werk doet niet ter zake: processen zijn processen, en geld is geld.

Via onderlinge inteeltcontacten in de bestuurswereld wordt iedere topmanager op de hoogte gehouden van de volgende mode. Momenteel zijn vooral Amerikaanse en Britse investeringsmaatschappijen in zwang. Die kopen bedrijven op door hoge schulden aan te gaan die de aangekochte ondernemingen vervolgens zelf moeten zien terug te verdienen - met veel winst uiteraard.

Het eigen vermogen verdwijnt als sneeuw voor de zon. PCM kan hierover meepraten. De volgende hype is ongetwijfeld alweer in de maak. Misschien is dat Corus-veilingidee wat: gooi ondernemingen in de uitverkoop via strak georganiseerde biedingen zodat de prijs lekker hoog oploopt. Ook hier gaat de koper schulden aan die het nieuwe bezit vervolgens in de jaren daarna moet ophoesten.

Met behulp van een variabele prestatiebonus, een aandelenpakket en/of een optieregeling wordt gewaarborgd dat de belangen van de topmanagers parallel lopen met die van de aandeelhouder. Het gevolg is dat veel ondernemingen gedrag vertonen dat louter in dienst staat van het aandeelhoudersbelang. En die aandeelhouder is in het algemeen geïnteresseerd in kortetermijnrevenuen: bedrijf x of y - dat maakt niet uit, als hij maar door slim op korte termijn met aandelen te schuiven een goed langetermijnrendement van zijn portefeuille haalt.

Soms wordt gesuggereerd dat institutionele beleggers als een bank, pensioenfonds of verzekeraar wél geïnteresseerd zijn in de langetermijntoekomst van hun individuele bedrijfsbezittingen. Helaas: ook voor hen gaat het om het langetermijnrendement van de aandelenportefeuille als geheel. In het beleggerspel is het aandelenbezit in de individuele onderneming x of y slechts één van de vele speelballen.

In deze omstandigheden worden bedrijven ertoe gedwongen de kortetermijnhorizon van de beurs over te nemen. Omdat via het veelgeroemde systeem van prestatiebeloningen de kortetermijnbelangen van de aandeelhouder naadloos aansluiten op die van de topmanager, zijn geoliede aandeelhouderswaardecreatiemachines ontstaan. Deze machines doen vooral wat de aandeelhouder en/of beurs vraagt: acties die op korte termijn de rendementen en de koers omhoogstuwen.

Aan de ene kant komt daarmee de nadruk te liggen op het verhogen van de interne efficiëntie: hoe goedkoper, hoe beter. Omdat vooral via personeelssaneringen kostenposities snel kunnen worden verbeterd, is daarmee de anorexiastrategie geboren. Dergelijke saneringen komen immers direct ten goede van de winstpositie omdat personeel op de balans aan de debetzijde wordt opgevoerd. Omdat het effect van saneringen tijdelijk is, moet met grote regelmaat een nieuwe saneerdosis worden toegediend. Geen wonder dat de ene reorganisatie nog niet is verwerkt of de volgende afslanking wordt alweer aangekondigd.

Dit is echter niet genoeg. Immers: zonder groei is de weg naar continue aandeelhouderswaardecreatie afgesloten. Interne groei gaat gepaard met de moeizame en vaak langzame uitbreiding van capaciteiten en volumina en is daarmee niet sexy. Met externe groei kan goede sier worden gemaakt. Een leuke acquisitie heeft veel voordelen. Het schiet lekker op. De beurs houdt ervan, althans op korte termijn. Het biedt een aantrekkelijke managementuitdaging. Adviseur en bank pikken een graantje mee. Het zorgt voor aandacht in de pers en op de golfbaan.

Deze boulimiastrategie impliceert een hyperactief acquisitiebeleid: snel groter worden kan door andere bedrijven op te kopen. Omdat iedereen het doet, ontstaat een hyperactieve acquisitiemarkt. De ene acquisitiegolf volgt op de andere: het is een kwestie van eten of gegeten worden.

Zonder aansprekende groeicijfers is de aandeelhouder ontevreden. Als de groeitarget niet wordt gehaald, ligt een koersdaling in het verschiet. De beloning van het topmanagement is in het algemeen sterker afhankelijk van de omvang van het bedrijf dan van de financiële prestaties. Met optieregelingen snijdt het groeizwaard ook nog eens aan twee kanten: leuk voor de beloning en nog leuker voor het optiepakket.

Groei kan schaalvoordelen brengen: machines worden efficiënt benut, er worden inkoopkortingen bedongen, taken worden fijnmazig verdeeld, promotie-uitgaven worden over grote volumina uitgesmeerd. Maar organisaties kunnen ook te groot worden. Dat kan leiden tot inefficiënties, verspilling, bureaucratie. Tot meer conflict, moeizame controle van decentrale eenheden, haperende coördinatie. Het topmanagementteam belandt in een ivoren toren. Kortom: groot wordt lelijk. Omdat ondernemingen van nature bloot staan aan een veelheid van groeidrijfveren, is het gevaar aanzienlijk dat veel bedrijven die in de jaren negentig de acquisitie- en fusiekudde volgzaam achterna zijn gelopen, inmiddels groter zijn dan efficiënt is. ABN Amro, Ahold en KPN gaan mogelijk gebukt onder het groot-is-lelijk-syndroom.

Een andere keerzijde van de dwangmatige oriëntatie op de korte termijn is dat voor lange-termijninvesteringen minder geld en tijd beschikbaar worden gesteld. Onderzoek, ontwikkeling en scholing zijn het kind van de rekening. De hogere rendementen moeten in kortere tijd worden gehaald. De tijdnood van de aandeelhouder wordt ook de tijdnood van de onderneming. Het volgende kwartaal is dichtbij. Geen wonder dat het met de Nederlandse investeringen in de drie Os van de kenniseconomie - onderzoek, ontwikkeling en onderwijs - maar niet wil vlotten.

Ook menselijk kapitaal wordt vooral als een kostenpost beschouwd. Een paar keer per jaar ondersteun ik ondernemingsraden die worden geconfronteerd met majeure koerswijzigingen. Meestal gaat het om saneringen of sluitingen. Altijd blijkt dat het management volledig is vervreemd van de werkvloer. Het topmanagement is druk in de weer met de financiële wereld, met managementconsultants en met elkaar. Contact met de werkvloer is echter schaars. Het personeel voelt zich niet serieus genomen. De moderne werknemer weet dat hij de speelbal is van hogere financiële belangen in de aandeelhouderswereld. Winst maken is niet genoeg. Veel winst maken ook niet. Het moet heel veel zijn. Als dat kan worden bewerkstelligd via reorganisaties, saneringen of sluitingen, dan is daar geen houden aan. Daarom wordt de moderne werknemer voortdurend geconfronteerd met de volgende winstverbeteríngsoperatie. Eerst moet met minder mensen meer worden geproduceerd. Later volgt vaak verkoop of sluiting. Geen wonder dat op de werkvloer het cynisme overheerst. De moderne werknemer is die bemoeizuchtige verbetermanager spuugzat.

Ook in politieke kringen ontstaat beweging. Werkt de NS beter na de verzelfstandiging? Zijn Essent en Nuon ineens klantvriendelijker geworden? Is het prettig jaarlijks de zorgverzekering kritisch tegen het licht te houden? Joop Wijn voelde zich ongemakkelijk bij de opkomst van sprinkhanen. Angela Merkel vindt het tijd voor een Europees debat over de rol van degelijke financiers. Zelfs delen van het topmanagement zelf voelen nattigheid. Oppercommissaris Aad Jacobs doet zijn beklag. Het Stork-management heeft de weg naar de rechtszaal gevonden. Misschien, wie zal het zeggen, is de wal zo langzamerhand bezig het schip te keren.

Moderne werknemer is bemoeizuchtige verbetermanager spuugzat

Info: Hoogleraar economie en management aan de Universiteit Antwerpen, hoogleraar institutionele economie aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar strategie aan de University of Durham (Verenigd Koninkrijk). Auteur van onder andere De anorexiastrategie: over de gevolgen van saneren.

Naomi Klein interview

De stelling van Naomi Klein: er zijn veel goede alternatieven voor het pure vrije-marktmodel

Interview Interview | Zaterdag 20-10-2007 | Sectie: Overig | Pagina: 19 | Marc Leijendekker
Bij een open democratie hoort een vrije markt: dat is de stelling waartegen Naomi Klein, boegbeeld van de anders- globalisten, ten strijde trekt in haar nieuwste boek. Veel landen hebben zich een ideologie laten opdringen zonder goed te kijken naar alternatieven, zegt ze tegen Marc Leijendekker.

Kort samengevat: u schrijft dat grote bedrijven en instellingen, overwegend Amerikaans, misbruik hebben gemaakt van momenten van verwarring om hun doctrine van liberalisering, privatisering en een vrije markt op te leggen.

Zeker, dit is het meest winstgevende systeem in de wereld. De geestelijke vader is de econoom Milton Friedman van de zogenoemde Chicago school. Hij werd gesteund door grote Amerikaanse bedrijven, in samenwerking met het State Department en internationale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. Die hebben bewust gebruikgemaakt van momenten van verwarring en onzekerheid om hun recept op te leggen. Kijk naar Polen in 1989. Toen hadden aanhangers van de Poolse vakbond Solidariteit een interessant economisch plan gepresenteerd, dat onder meer voorzag in arbeiderscoöperaties. Maar de wind van de markt won het. Het leek zo aantrekkelijk: een beetje pijn op de korte termijn, wat schoktherapie om de boel op te schudden, en binnen zes tot twaalf maanden zou Polen een normaal Europees land zijn.

U geeft nog meer voorbeelden. Sri Lanka, waar in de wederopbouw na de tsunami vissersdorpen plaats moesten maken voor toeristencentra. Rusland in de jaren negentig, dat een vrije-marktrecept kreeg opgedrongen door Amerikaanse adviseurs. New Orleans na de orkaan Katrina, waar in recordtijd vrijwel alle scholen zijn geprivatiseerd. Zuid-Afrika, waar het Afrikaans Nationaal Congres zijn eigen economische plan niet durfde door te zetten. Irak, waar de wederopbouw is geprivatiseerd. Het lijkt bijna op een samenzwering.

Waar het mij om gaat is dat dit de afgelopen dertig jaar het heersende model is geworden, de zogeheten Washington- consensus. Er is gedaan alsof dit de logische uitkomst was van een debat. Alsof dit geen ideologie was, maar wetenschap, mathematische zekerheden. Alsof we waren aangekomen bij het einde van de geschiedenis. Mensen worden daardoor erg geïntimideerd. Wie wil er nu buiten de geschiedenis staan? Wie durft nog te beginnen over alternatieven als iedereen roept dat er geen alternatieven zijn? Wie is de spelbreker als er een consensus bestaat? Dit is een duidelijke strategie geweest: de overwinning claimen terwijl er niet eens een eerlijk en open gevecht is geweest, tussen ideeën dan.

In Europa is Thatcher weliswaar de belangrijkste aanhanger geweest van Friedman, maar in andere West-Europese landen overheerste toch de twijfel.

Dat maakte het Europese perspectief op de rol van de staat ook interessant. Het laat zien dat er ook andere keuzes zijn. Maar op heel veel plaatsen in de wereld is dit verhaal verkocht als de consensus. Het officiële verhaal is dat de vrije markt hand in hand ging met de zegetocht van de economie. Daarom wilden de mensen in Oost-Europa na de val van de muur de Reagonomics. Ze willen de Big Macs. In deze versie van de geschiedenis wordt helemaal niet gesproken over de schoktherapie die is toegepast. Als je kijkt naar de geschiedenis zie je dat dit model is opgelegd in tijden van verwarring. Een crisis wordt aangegrepen om dit recept door te drukken: zet de deur wijd open voor de multinationals, geef ze de ruimte om te groeien, en dan druppelen alle voordelen verder vanzelf de samenleving in.

Friedman en zijn aanhangers hebben een parallel getrokken met de schoktherapie in de psychiatrie. Psychiaters hebben ook zon keuze: ze kunnen urenlang praten met hun patiënten over hun jeugd en dergelijke, en ze kunnen kiezen voor een schoktherapie. In dat opzicht is het een lui middel. Een gemengde economie vereist veel meer planning, veel actiever beleid.

Uw voorbeelden zijn onder andere Rusland en Polen in de jaren negentig. Maar toen kwamen er vanuit Europa toch nauwelijks alternatieve recepten? Veel landen worstelden met een uit zijn krachten groeiende staat.

Terugkijkend kun je constateren dat er in Europa begin jaren negentig een gebrek was aan zelfvertrouwen over de eigen koers. Gorbatsjov heeft verteld hoe hij in 1991 naar de topontmoeting van de G8 ging met de boodschap: geef mij tien jaar van geleidelijke veranderingen en wij zijn een land van Zweden. Maar op de top kreeg hij van iedereen, behalve Mitterrand, te horen: je moet dit recept van privatisering en ruim baan voor de markt toepassen. Hij vroeg zich af waarom Europese landen dit bepleitten terwijl ze zelf een gemengde economie hadden, helemaal geen volledig vrije markt. Maar je ziet heel vaak dat het advies van ontwikkelde landen aan arme landen - en Rusland was op dat moment een arm land - meestal niet overeenkomt met wat ze zelf doen. Er was ook een economisch belang voor de bedrijven in West-Europa om de markten in Oost-Europa open te zien gaan voor hun multinationals.

Je zou ook kunnen zeggen dat veel landen vonden dat ze op de grenzen van de verzorgingsstaat waren gestuit, dat ze vonden dat er meer markt nodig was en dat Rusland en andere Oost-Europese landen daar een les uit konden trekken.

Dat hoor je nu zo vaak, dat anders systemen niet zouden werken. Op een gegeven moment is in mijn land, Canada, geroepen dat de sociale programmas niet langer betaalbaar waren. Er ontstond een hysterisch klimaat dat werd aangewakkerd door conservatieve denktanks. Maar als je er goed naar kijkt, zie je dat de problemen vooral werden veroorzaakt door de hoogte van de rente, niet door de sociale voorzieningen op zich. Wat voor maatstaf gebruik je? Als je kijkt naar de levensstandaard op de ranglijsten die de Verenigde Naties opstellen, dan staan de Scandinavische landen vaak bovenaan. Hoe komt het toch dat we zo vaak horen dat de sociaal-democratie een mislukking zou zijn? Kijk naar de pesocrisis in Mexico, de hypotheekcrisis in de VS, de dotcom crisis die in heel de wereld is geweest. De markt faalt voortdurend.

Maar u biedt geen alternatief.

Het gaat mij er ook niet om wat mijn ideale staat is. Ik wil laten zien wat we allemaal niet hebben geprobeerd omdat dit achterhaald zou zijn door de geschiedenis. Wat voor experimenten zijn niet uitgevoerd? Kijk naar Zuid-Afrika. Zou het ANC-plan voor nationalisatie van banken en mijnen niet tot een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom hebben geleid? Ik wil die opties uit de prullenbak der geschiedenis halen.

U wordt wel verweten dat u het kapitalisme over één kam scheert. Alsof het model van Friedman en de Washingtonconsensus het enige model zijn.

Dat heb ik nooit gezegd. Ik praat nooit over een systeem zonder markt. Waar het mij om gaat is het contrast tussen het fundamentalistische kapitalisme en het keynesiaanse model van een gemengde economie. In bijna alle landen blijken mensen een gemengde economie te willen. Ze willen winkelen, kunnen consumeren - niemand wil meer in een communistische staat leven. Maar ze willen ook gezondheidszorg, onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is, een regeringsbeleid dat rekening houdt met het milieu. Daar moet het over gaan.

Dan bent u het vast eens met de Amerikaanse filosoof Michael Walzer, die het marktdenken buiten publieke goederen als onderwijs en zorg wil houden.

Precies. Mijn familie is eind jaren zestig vanuit de Verenigde Staten naar Canada gegaan omdat mijn vader niet naar Vietnam wilde. We zijn daar gebleven omdat het een decentere samenleving is. Er is minder ongelijkheid, minder hardvochtigheid, er zijn minder superrijken en de publieke gezondheidszorg is veel beter. Dat is helemaal geen Utopia, maar een land waar gewoon andere keuzes zijn gemaakt.

Anarcho-Kapitalisme

Anarchokapitalisme
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Zie ook Friedman


Het anarchokapitalisme (= 'anarchistisch kapitalisme') is een radicale variant van het libertarisme waarbij het spel van de vrije economische krachten oftewel het kapitalisme door geen enkele vorm van overheidsbemoeienis wordt geremd. In het zuivere anarchokapitalisme is de staat volledig afgeschaft en daarmee is er ook geen belastingheffing meer. Voor de 'gewone burger' is dan ook het opvallendste kenmerk van de anarchokapitalistische samenleving dat er niemand aan de deur komt die belasting eist of andere afgedwongen dienstbaarheid en dat ieders bruto-inkomen ook tevens netto-inkomen is en voor 100% naar eigen inzicht besteed mag worden. De openbare diensten en voorzieningen die nu worden bekostigd met belastinggelden, zoals wegen of dijken, zullen in een anarchokapitalistische samenleving in private handen zijn en er zal op vrijwillige basis worden betaald voor de bouw en het onderhoud ervan.

Alles wat mensen gebruiken en nodig hebben of produceren wordt door de vrije marktkrachten gereguleerd. Diensten die tegenwoordig veelal door de overheid worden geleverd als veiligheid, recht, onderwijs en gezondheidszorg worden in een anarcho-kapitalistisch systeem geleverd door particuliere bedrijven, verzekeringsmaatschappijen en andere aanbieders van deze diensten. Overigens kunnen binnen een anarcho-kapitalistische maatschappij deze diensten ook aangeboden worden door niet-commerciële instellingen zoals non-profit verzekeraars, vakbonden of soortgelijke instellingen die bekostigd worden door betalende leden. Binnen een anarcho-kapitalistische samenleving kunnen ook socialistische verbanden als communes, werkgemeenschappen e.d. bestaan, ook weer bekostigd door betalende leden. Op die manier lijkt er dus uiteindelijk toch weer een soort van overheid te ontstaan, waarbij het lidmaatschapsgeld de belasting is. Het grote verschil is echter dat dit dan op vrijwillige basis gebeurt, in tegenstelling tot een gangbare overheid die iedereen dwingt om zich aan haar te conformeren.
Vlag van de politieke stroming

Volgens critici echter zal er nog altijd een (minimale) staatsbelasting nodig zijn om een kostbare defensiemacht te onderhouden om eventuele agressieve buitenlandse mogendheden af te schrikken. Het is volgens hen niet goed te onderbouwen hoe dat met (vrijwillige) marktmechanismen te verwezenlijken is. Pas als op de hele wereld geen grote staten met legermachten meer zijn zou volgens hen ook geen belasting meer nodig zijn. Een gelijksoortig probleem doet zich voor met geld zelf.

De Amerikaanse econoom David D. Friedman heeft over het anarchokapitalisme als maatschappijvorm een uitgebreide studie gepubliceerd: The Machinery of Freedom (1989). Ook de Amerikaanse econoom Murray Rothbard de Duits-Amerikaanse filosoof en econoom Hans-Hermann Hoppe en vele anderen hebben hierover gepubliceerd.

In de Verenigde Staten wordt anarchokapitalisme door velen als een stroming van het anarchisme gezien. De meeste Europese anarchisten, die veelal een 'linkse' signatuur hebben, zijn echter tegenstanders van een vrije markt.

Tot aan vakantie: (r)evolutie in naam van...?

'Is' en 'ought'. De mogelijkheid van ethiek en maatschappijkritiek hangt af van de mogelijkheid van rechtvaardigheid. Vergelijk het positivismne van Hobbes en Machiavelli: als het recht van de sterkste de enige maatstaf is dan kan de vraag naar rechtvaardigheid niet gesteld worden. Dan is alleen een gewelddadige verandering mogelijk die zich louter kan beroepen op de grotere kracht van de heersende groep.

Welke rechtvaardigenBoek:
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 5: ethische principes
Hoofdstuk 8: Foucault

Extra teksten:
Marx en Engels: Communistisch manifest
Bakoenin - Over anarchisme
Lenin - Over revolutie
Hayek, Friedman - Vrije markt
Naomi Klein - De Shockdoctrine, No Logo
Friedlander - The world is flat
Peter Singer - Animal Liberation

Documentaire:
The weather underground
Al Gore - An Inconvenient Truth
Tegenlicht: De waterstofrevolutie
Tegenlicht - Als de dollar valt
Korte reportages over de kredietcrisis

Krant
Noreena Hertz
prof. Heertje
Schinkel - Zo moeilijk is bankieren nu ook weer niet (merk het pure Marxisme op).

dinsdag 17 maart 2009

plaatjes arbeid







Lafargue

Hoofdstuk 3: De ware waarde van werk is…nietsdoen?

1.

In ‘Recht op Luiheid’ hanteert Paul Lafargue een criterium om waardevol van waardeloos werk te onderscheiden om vervolgens in één beweging door zijn theorie van nietsdoen te formuleren. Waardeloos zijn de zogenaamde ideologische beroepen. Gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten en wetenschappen dragen ‘niets’ bij. Evenmin het huishoudpersoneel. Het huishoudpersoneel bedient de rijken. Ze werken wel maar voegen ‘niets’ toe. Er is nog meer waardeloos werk: de werkzaamheden ‘die uitsluitend bestemd zijn voor de bevrediging van de verkwistende en ijdele begeerten der rijke klassen: diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe uitgaven, naaisters van luxe-kleding, stoffeerders van lustverblijven enzovoort.’ Het summum van waardeloos werk bestaat uit ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’.
Lafargue zet met zijn definiering van waardevol en waardeloos meer dan de helft van de beroepsbevolking buiten spel. De butler die zich inspant zijn meester te dienen met het serveren van exquise cognac, de kunde van een diamantslijper die uren achtereen verbeten in de weer is met zijn slijptol, de slaven die ploeteren in de diamantmijnen, de naaister die met naald en draad prachtig borduursel aanbrengt in een zwierige baljurk…is dat geen waardevol werk dan? En de bankier, de investeerder, de bejubelde helden van de moderne maatschappij…ook geen waardevol werk?
Volgens Lafargue niet.
Uit ‘Das Kapital’ van Marx neemt hij een schema over waarin de produktieven tegenover de improduktieven staan, oftewel de waardevolle werkers tegenover de waardeloze werkers. In 1861 omvat de bevolking van Wales en Engeland ongeveer 20 miljoen personen. Na aftrek van ouderen, niet werkende en de waardeloze ideologische beroepen blijft er een kleine groep echte werkers over.

Agrarische werkers, met inbegrip van de herders, de boerenknechten en meiden die bij de boer inwonen: 1098261

Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, blas-, zijde- en brei-fabrieken: 624607

Arbeiders uit de steenkool- en ertsmijnen: 5655835

Metaalarbeiders (hoogovens, walserijen enz.) 396998


Waardevol tegenover waardeloos. Wat een verspilling! De omvang van de verspilling onderstreept Lafargue nog eens door de enorme hoeveelheid aan huishoudelijk personeel (1208648) te vergelijken met de produktieve arbeid. Lafargue citeert de grote meester Karl Marx:
‘Als we de textielarbeiders en de mijnwerkers bij elkaar optellen krijgen we hier het cijfer van 1208442; als we de eersten en die van de metaalfabrieken optellen krijgen we een totaal van 1093605 personen – dat wil zeggen telkens een kleiner getal dan dat van de moderne huisslaven. Dat is het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines’
‘Het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines’ schrijft Marx met zijn gebruikelijke cynisme. De door de machines overbodig geworden arbeiders, moeten hun energie nu gedienstig opofferen ten bate van het gerief van de rijken. Maar dit ‘prachtige resultaat’ geeft Lafargue juist hoop. Machines verminderen de hoeveelheid benodigde arbeid en ook al moeten de ‘huisslaven’ nu ploeteren voor de rijken, dat kan in de toekomst veranderen. Huishoudpersoneel behoort immers tot de categorie van waardeloos werk. En wat waardeloos is, kan afgeschaft worden. Geen overbodige beroepen meer die niets waardevols voortbrengen.
De samenleving valt zo uiteen in twee klassen: de waardevollen en de waardelozen. Beroepen als politie, geestelijkheid en de rechterlijke macht die niets materieels voortbrengen zijn sowieso waardeloos. Maar ook de beroepen die iets voorbrengen dat ‘de ijdele begeerte’ van de rijke klassen bevredigt, worden overgeheveld naar het kamp van de waardeloze werkers.
Deze kritiek op waardeloze, improduktieve arbeid is overigens geenszins voorbehouden aan het socialisme. Bij Adam Smith, de vader het liberale kapitalisme, zien we precies hetzelfde. Smith schrijft:
‘The labour of some of the most respectable orders in the society is, like that of the menial servants, unproductive of any value (…). The sovereign, for example, with all the officers both of justice and war who serve under him, the whole army and the navy, are unproductive labourers (…).
Ze worden onderhouden door de ‘produce of the industry of other people.’ De groep met ‘unproductive labourers’ wordt door Smith uitgebreid met ‘churchmen, lawyers, physicians, men of letters of all kinds, players, buffoons, musicians, opera-singers, opera-dancers. Dat leidt tot het volgende schema:








Waardeloos, improductief werk Waardevol werk

Gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten, wetenschappen, huishoudpersoneel,
diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe uitgaven, naaisters van luxe-kleding, stoffeerders van lustverblijven, huisbazen, bankiers, kapitalisten. Koning, officers of justice and war, leger, marine, churchmen, lawyers, physicians, men of letters of all kinds, players, buffoons, musicians, opera-singers, opera-dancers. Agrarische werkers,
Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, blas-, zijde- en brei-fabrieken:
Arbeiders uit steenkool- en ertsmijnen
Metaalarbeiders






Hiermee hangt samen dat er ook veel producten waardeloos zijn en afgeschaft kunnen worden.


Af te schaffen waardeloze producten Waardevolle producten

Diamanten, modieuze luxe-kleding, kant, borduursel, luxe boekuitgaven, Eetbare producten uit de landbouw: koren, vlees, melk
Simpele kleding
Steenkool, erts (warmte)
Metaal (gebouwen)


Het waardeloze heeft geen recht van bestaan. Het is er, maar je kunt het net zo goed afschaffen. Dit afschaffen heeft iets gewelddadigs, maar voor Lafargue is het een daad van bevrijding. Met het afschaffen van waardeloos werk en waardeloze producten ligt de weg naar de verlossing open. Per saldo verdwijnt er namelijk heel wat werk en waar niet gewerkt wordt, daar is de vrijheid om lui te zijn. Omdat de waardevolle beroepen die overblijven, allemaal van doen hebben met het produceren van materiele goederen, is het waardevolle werk ook uitermate geschikt om te automatiseren. Deze dubbele strategie – afschaffen en automatiseren – legt de weg open naar een samenleving waarin nauwelijks meer gewerkt hoeft te worden.




2. De nietsende uitbuiter

Aan de vooravond van de Franse Revolutie circuleert deze prent door Frankrijk.



De derde stand draagt de adel en de geestelijkheid. De leden van de derde stand doen het waardevolle werk. Zij brengen de waardevolle producten voort. De adel en geestelijkheid doen niets en als ze al wat doen dan is de opbrengst van hun inspanningen waardeloos. Het onderscheid dat Lafargue tussen waardevol en waardeloos maakt, valt zo bezien samen met de kritiek op de standenmaatschappij die de kern vormt van de Franse Revolutie. Net als bij Lafargue tekenen de revolutionairen protest aan tegen het feit dat de ‘waardeloze’ adel en geestelijkheid het rijkste en belangrijkste zijn. Dit geeft de indeling in waardevol en waardeloos haar explosieve lading. De ‘waardelozen’ zijn rijk en machtig ten koste van de waardevollen!! De ‘waardelozen’ zijn rijk en machtig omdat ze de waardevolle werkers uitbuiten. De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. Deze onrechtvaardigheid laat zich samen vatten als zij die nietsdoen maar alles hebben tegenover hen die werken en geen cent te makken hebben.
Deze tegenstelling tussen nietsende uitbuiters en waardevolle werkers vormt het uitgangspunt van Thorstein Veblen’s ‘Theory of the Leisure class’ (1899). Het onrecht is stuitend. De rijke en nietsdoende klasse heeft hun status helemaal niet eerlijk verdiend. Het is precies de klasse die op onrechtmatige wijze aan eigendom komt, namelijk door roof, die uitgroeit tot de nietsdoende klasse. Veblen:
‘In the earlier and more naive stages of barbarism the former (de werkende klasse), in the normal case, own nothing; the latter (de nietsdoende klasse) own such property as they have seized, or such as has, under the sanction of usage, descended upon them from their forebears who seized and held it.’
De nietsdoende klasse leeft van roof en erfenissen. Ze doet niets, maar bezit alles. Maar wat betekent hier nietsdoen? Veblen schrijft: ‘Manual labour, industry, whatever has to do directly with the everyday work of getting a livelihood, is the exclusive occupation of the inferior class.’ Het is precies het werk dat Lafargue als waardevol werk classificeert (boer, timmerman, metaalarbeider), dat door de nietsdoende klasse als onwaardig wordt beschouwd. Het roofzuchtige gedrag van de nietsdoende klasse daarentegen valt bij Lafargue onder de categorie waardeloos werk (leger, politie). Dat waardeloze werk behelst nu precies de bezigheden die de nietsdoende klasse ‘waardig’ acht.
De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. Deze onrechtvaardigheid laat zich samen vatten als zij die nietsdoen maar alles hebben tegenover hen die werken en geen cent te makken hebben. Bij Adam Smith klinkt dezelfde klacht:
‘Among civilized and thriving nations (…) a great number of people do not labour at all, many of whom consume the produce of ten times, frequently of a hundred times more labour than the greater part of those who work (…)’
Maar wat is nietsdoen en wat is werk? Wat is waardevol en waardeloos? Wat is waardig en onwaardig?
Ten tijde van de Franse revolutie luidt het antwoord hierop dat de derde stand waardevol werk doet en de adel en geestelijkheid niets uitvoert en de derde stand uitbuit. Na de Franse Revolutie is het de bourgeoisie die tot uitbuiter wordt gebombardeerd. Voor Veblen is de moderne zakenman de erfgenaam van de ledige adel. Boeren en arbeiders doen het werk. Zij maken dingen. De zakenman maakt niks. Hij verkoopt alleen dingen die anderen gemaakt hebben, zonder in de fabriek te hoeven werken, zonder zich met eigen handen met het vervoer bezig te houden, zonder in de winkel achter de toonbank te hoeven staan. Kortom: de arbeider werkt, terwijl de bourgeois wat rondloopt. Op het schilderij Ozio et lavoro (ledigheid en werk) wordt deze verhouding overduidelijk afgebeeld.



De bourgeoisie vermaakt zich in het casino terwijl de arbeider ’s nachts in de fabriek werkt. Of nog scherper: het gezicht van de heersende klasse volgens George Gross. Om vijf uur in de ochtend toont de uitbuiter haar ware gezicht. Achter de burgelijke facade gaat de knechting van de arbeider schuil.


(Tweeërlei nachtarbeid in Limburg, Het volk, 25-02-1906) George Gross

De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. In de woorden van Marx en Engels:
‘Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildenmeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte dan weer open strijd, een strijd die ieder keer eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen.’
Het 19e-eeuwse proletariaat benoemt zich tot de ware erfgenaam van deze revolutie tegen de uitbuiting. ‘Wie niet werkt, zal niet eten’, wordt de leus van de arbeiders. In 1848 wordt het recht op Arbeid uitgeroepen. De gefedereerden van de Parijse Commune van maart 1871 verklaren dat hun opstand ‘de Revolutie van de arbeid’ is. In 1917 nemen de Russische Revolutionairen het devies ‘wie niet werkt zal niet eten’ heel serieus. Het wordt het uitgangspunt van de inrichting van de nieuwe maatschappij.

3. De omkering van alle waarden
Lafargue’s kritiek op de ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’, maakt zo bezien deel uit van een langgerekte klaagzang tegen uitbuiting die heel de geschiedenis al klinkt en maar niet wil verstommen. Maar hoe realistisch is Lafargue’s klaagzang aan het adres van de nietsdoende uitbuiters? Hoe waardeloos zijn het werk en de producten die Lafargue als waardeloos beschouwt? Hoe waardeloos is de bourgeoisie waar Lafargue zijn pijlen op richt?
Het is moeizaam in te zien hoe juist de bourgeoisie die door de verering van arbeid groot is geworden, verketterd kunnen worden als nietsdoeners. Dat heeft Lafargue bij Marx kunnen lezen. In het begin van het Communistisch manifest geeft Marx een verkapt compliment aan de enorme daadkracht van de burgerij.
‘De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en van de goederen in het algemeen, gaven aan de handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling. (…) Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industriële productie. (…) De grootindustrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan de handel, de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze heeft op haar beurt op de uitbreiding van de industrie ingewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op de achtergrond.’
Is dit dezelfde burgerij die Lafargue wegzet als ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’? Is het aannemelijk dat de burgerij die arbeid zo hoog in het vaandel heeft staan en precies in naam van de arbeid de macht van de ‘luie’ adel gebroken heeft, nu opeens niets meer doet? Zo beschouwd komt de indeling van Lafargue lichtelijk absurd over. Hooggewaardeerde beroepen als rechter, politiechef, generaal en bankier worden doorgaans als zeer waardevol gezien. Dat Lafargue dat niet vindt, doet zijn theorie lijken op een carnavaleske omkering van de normale wereld.
Maar dat gevoel van omkering is precies wat de 19e eeuw zo kenmerkend maakt. De revolutie van 1789 wil het oude afschaffen en helemaal opnieuw beginnen. J.S. Mill schrijft in 1848 dat ‘a general reconsideration of all first principles is felt to be inevitable’. Omkering, omwenteling, verandering; het zijn wellicht de belangrijkste kenmerken van de moderniteit. Marx en Engels opnieuw:
‘De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken schok aan alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging, onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verhoudingen verouderen, voordat zij zich kunnen verstenen. Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanzien.’

Maar wat zag de mens die met nuchtere ogen de wereld in keek? Wat had nog waarde? Wat had nog waarde nu het heilige was ontwijd, het feodale was verdampt? Wat waren de nieuwe waarden van de Franse Revolutie, de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en de Industriele Revolutie?
Wat is waarde?
In de ontzagwekkende openingspagina’s van het Communistisch manifest geven Marx en Engels aan dat in het tijdperk van de bourgeoisie er een geheel nieuwe opvatting is ontstaan over ‘waarde’:
‘De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle feodale, aartsvaderlijke, idyllische verhoudingen vernield. Zij heeft de bontgeschakeerde feodale banden, die de mens aan de van nature boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen andere band tussen mens en mens overgelaten dan het naakte eigenbelang, dan de gevoelloze ‘contante betaling’. Zij heeft de heilige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift, van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in de ruilwaarde opgelost en in de plaats van de talloze verleende en verworven vrijheden als enige vrijheid de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats van de met godsdienstige en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke, schaamteloze, directe, dorre uitbuiting gesteld.
De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde ambten van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de geneesheer, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie heeft van de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht.’

Het spreken over ‘waarde’ is een economisch debat geworden. Naakt eigenbelang, contante betaling, egoïstische berekening, dorre uitbuiting, loonarbeid en geldverhoudingen ontmaskeren de heilige, magische en ridderlijke verzinsels van de Middeleeuwen. Marx en Engels waren zeker niet de enige die de discussie over ‘waarde’ in economische termen uitvochten. In 1776 zag ‘An Inquiry into the Wealth of Nations’ het daglicht. Adam Smith stelt zich de vraag wat een land rijk maakt, hoe waarde ontstaat. In de uitwerking van die vraag preciseert Smith wat waardevolle arbeid - in contrast met improductieve arbeid - is die tot rijkdom leidt, hoe het nastreven van economisch eigenbelang tot de best mogelijke wereld leidt. Bijna ongezien vervangt de economie zo de ethiek. Waarde, waardevol werk, waardigheid, waarden: het worden economische vragen.