dinsdag 17 maart 2009

plaatjes arbeid







Lafargue

Hoofdstuk 3: De ware waarde van werk is…nietsdoen?

1.

In ‘Recht op Luiheid’ hanteert Paul Lafargue een criterium om waardevol van waardeloos werk te onderscheiden om vervolgens in één beweging door zijn theorie van nietsdoen te formuleren. Waardeloos zijn de zogenaamde ideologische beroepen. Gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten en wetenschappen dragen ‘niets’ bij. Evenmin het huishoudpersoneel. Het huishoudpersoneel bedient de rijken. Ze werken wel maar voegen ‘niets’ toe. Er is nog meer waardeloos werk: de werkzaamheden ‘die uitsluitend bestemd zijn voor de bevrediging van de verkwistende en ijdele begeerten der rijke klassen: diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe uitgaven, naaisters van luxe-kleding, stoffeerders van lustverblijven enzovoort.’ Het summum van waardeloos werk bestaat uit ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’.
Lafargue zet met zijn definiering van waardevol en waardeloos meer dan de helft van de beroepsbevolking buiten spel. De butler die zich inspant zijn meester te dienen met het serveren van exquise cognac, de kunde van een diamantslijper die uren achtereen verbeten in de weer is met zijn slijptol, de slaven die ploeteren in de diamantmijnen, de naaister die met naald en draad prachtig borduursel aanbrengt in een zwierige baljurk…is dat geen waardevol werk dan? En de bankier, de investeerder, de bejubelde helden van de moderne maatschappij…ook geen waardevol werk?
Volgens Lafargue niet.
Uit ‘Das Kapital’ van Marx neemt hij een schema over waarin de produktieven tegenover de improduktieven staan, oftewel de waardevolle werkers tegenover de waardeloze werkers. In 1861 omvat de bevolking van Wales en Engeland ongeveer 20 miljoen personen. Na aftrek van ouderen, niet werkende en de waardeloze ideologische beroepen blijft er een kleine groep echte werkers over.

Agrarische werkers, met inbegrip van de herders, de boerenknechten en meiden die bij de boer inwonen: 1098261

Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, blas-, zijde- en brei-fabrieken: 624607

Arbeiders uit de steenkool- en ertsmijnen: 5655835

Metaalarbeiders (hoogovens, walserijen enz.) 396998


Waardevol tegenover waardeloos. Wat een verspilling! De omvang van de verspilling onderstreept Lafargue nog eens door de enorme hoeveelheid aan huishoudelijk personeel (1208648) te vergelijken met de produktieve arbeid. Lafargue citeert de grote meester Karl Marx:
‘Als we de textielarbeiders en de mijnwerkers bij elkaar optellen krijgen we hier het cijfer van 1208442; als we de eersten en die van de metaalfabrieken optellen krijgen we een totaal van 1093605 personen – dat wil zeggen telkens een kleiner getal dan dat van de moderne huisslaven. Dat is het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines’
‘Het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines’ schrijft Marx met zijn gebruikelijke cynisme. De door de machines overbodig geworden arbeiders, moeten hun energie nu gedienstig opofferen ten bate van het gerief van de rijken. Maar dit ‘prachtige resultaat’ geeft Lafargue juist hoop. Machines verminderen de hoeveelheid benodigde arbeid en ook al moeten de ‘huisslaven’ nu ploeteren voor de rijken, dat kan in de toekomst veranderen. Huishoudpersoneel behoort immers tot de categorie van waardeloos werk. En wat waardeloos is, kan afgeschaft worden. Geen overbodige beroepen meer die niets waardevols voortbrengen.
De samenleving valt zo uiteen in twee klassen: de waardevollen en de waardelozen. Beroepen als politie, geestelijkheid en de rechterlijke macht die niets materieels voortbrengen zijn sowieso waardeloos. Maar ook de beroepen die iets voorbrengen dat ‘de ijdele begeerte’ van de rijke klassen bevredigt, worden overgeheveld naar het kamp van de waardeloze werkers.
Deze kritiek op waardeloze, improduktieve arbeid is overigens geenszins voorbehouden aan het socialisme. Bij Adam Smith, de vader het liberale kapitalisme, zien we precies hetzelfde. Smith schrijft:
‘The labour of some of the most respectable orders in the society is, like that of the menial servants, unproductive of any value (…). The sovereign, for example, with all the officers both of justice and war who serve under him, the whole army and the navy, are unproductive labourers (…).
Ze worden onderhouden door de ‘produce of the industry of other people.’ De groep met ‘unproductive labourers’ wordt door Smith uitgebreid met ‘churchmen, lawyers, physicians, men of letters of all kinds, players, buffoons, musicians, opera-singers, opera-dancers. Dat leidt tot het volgende schema:








Waardeloos, improductief werk Waardevol werk

Gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten, wetenschappen, huishoudpersoneel,
diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe uitgaven, naaisters van luxe-kleding, stoffeerders van lustverblijven, huisbazen, bankiers, kapitalisten. Koning, officers of justice and war, leger, marine, churchmen, lawyers, physicians, men of letters of all kinds, players, buffoons, musicians, opera-singers, opera-dancers. Agrarische werkers,
Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, blas-, zijde- en brei-fabrieken:
Arbeiders uit steenkool- en ertsmijnen
Metaalarbeiders






Hiermee hangt samen dat er ook veel producten waardeloos zijn en afgeschaft kunnen worden.


Af te schaffen waardeloze producten Waardevolle producten

Diamanten, modieuze luxe-kleding, kant, borduursel, luxe boekuitgaven, Eetbare producten uit de landbouw: koren, vlees, melk
Simpele kleding
Steenkool, erts (warmte)
Metaal (gebouwen)


Het waardeloze heeft geen recht van bestaan. Het is er, maar je kunt het net zo goed afschaffen. Dit afschaffen heeft iets gewelddadigs, maar voor Lafargue is het een daad van bevrijding. Met het afschaffen van waardeloos werk en waardeloze producten ligt de weg naar de verlossing open. Per saldo verdwijnt er namelijk heel wat werk en waar niet gewerkt wordt, daar is de vrijheid om lui te zijn. Omdat de waardevolle beroepen die overblijven, allemaal van doen hebben met het produceren van materiele goederen, is het waardevolle werk ook uitermate geschikt om te automatiseren. Deze dubbele strategie – afschaffen en automatiseren – legt de weg open naar een samenleving waarin nauwelijks meer gewerkt hoeft te worden.




2. De nietsende uitbuiter

Aan de vooravond van de Franse Revolutie circuleert deze prent door Frankrijk.



De derde stand draagt de adel en de geestelijkheid. De leden van de derde stand doen het waardevolle werk. Zij brengen de waardevolle producten voort. De adel en geestelijkheid doen niets en als ze al wat doen dan is de opbrengst van hun inspanningen waardeloos. Het onderscheid dat Lafargue tussen waardevol en waardeloos maakt, valt zo bezien samen met de kritiek op de standenmaatschappij die de kern vormt van de Franse Revolutie. Net als bij Lafargue tekenen de revolutionairen protest aan tegen het feit dat de ‘waardeloze’ adel en geestelijkheid het rijkste en belangrijkste zijn. Dit geeft de indeling in waardevol en waardeloos haar explosieve lading. De ‘waardelozen’ zijn rijk en machtig ten koste van de waardevollen!! De ‘waardelozen’ zijn rijk en machtig omdat ze de waardevolle werkers uitbuiten. De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. Deze onrechtvaardigheid laat zich samen vatten als zij die nietsdoen maar alles hebben tegenover hen die werken en geen cent te makken hebben.
Deze tegenstelling tussen nietsende uitbuiters en waardevolle werkers vormt het uitgangspunt van Thorstein Veblen’s ‘Theory of the Leisure class’ (1899). Het onrecht is stuitend. De rijke en nietsdoende klasse heeft hun status helemaal niet eerlijk verdiend. Het is precies de klasse die op onrechtmatige wijze aan eigendom komt, namelijk door roof, die uitgroeit tot de nietsdoende klasse. Veblen:
‘In the earlier and more naive stages of barbarism the former (de werkende klasse), in the normal case, own nothing; the latter (de nietsdoende klasse) own such property as they have seized, or such as has, under the sanction of usage, descended upon them from their forebears who seized and held it.’
De nietsdoende klasse leeft van roof en erfenissen. Ze doet niets, maar bezit alles. Maar wat betekent hier nietsdoen? Veblen schrijft: ‘Manual labour, industry, whatever has to do directly with the everyday work of getting a livelihood, is the exclusive occupation of the inferior class.’ Het is precies het werk dat Lafargue als waardevol werk classificeert (boer, timmerman, metaalarbeider), dat door de nietsdoende klasse als onwaardig wordt beschouwd. Het roofzuchtige gedrag van de nietsdoende klasse daarentegen valt bij Lafargue onder de categorie waardeloos werk (leger, politie). Dat waardeloze werk behelst nu precies de bezigheden die de nietsdoende klasse ‘waardig’ acht.
De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. Deze onrechtvaardigheid laat zich samen vatten als zij die nietsdoen maar alles hebben tegenover hen die werken en geen cent te makken hebben. Bij Adam Smith klinkt dezelfde klacht:
‘Among civilized and thriving nations (…) a great number of people do not labour at all, many of whom consume the produce of ten times, frequently of a hundred times more labour than the greater part of those who work (…)’
Maar wat is nietsdoen en wat is werk? Wat is waardevol en waardeloos? Wat is waardig en onwaardig?
Ten tijde van de Franse revolutie luidt het antwoord hierop dat de derde stand waardevol werk doet en de adel en geestelijkheid niets uitvoert en de derde stand uitbuit. Na de Franse Revolutie is het de bourgeoisie die tot uitbuiter wordt gebombardeerd. Voor Veblen is de moderne zakenman de erfgenaam van de ledige adel. Boeren en arbeiders doen het werk. Zij maken dingen. De zakenman maakt niks. Hij verkoopt alleen dingen die anderen gemaakt hebben, zonder in de fabriek te hoeven werken, zonder zich met eigen handen met het vervoer bezig te houden, zonder in de winkel achter de toonbank te hoeven staan. Kortom: de arbeider werkt, terwijl de bourgeois wat rondloopt. Op het schilderij Ozio et lavoro (ledigheid en werk) wordt deze verhouding overduidelijk afgebeeld.



De bourgeoisie vermaakt zich in het casino terwijl de arbeider ’s nachts in de fabriek werkt. Of nog scherper: het gezicht van de heersende klasse volgens George Gross. Om vijf uur in de ochtend toont de uitbuiter haar ware gezicht. Achter de burgelijke facade gaat de knechting van de arbeider schuil.


(Tweeërlei nachtarbeid in Limburg, Het volk, 25-02-1906) George Gross

De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. In de woorden van Marx en Engels:
‘Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildenmeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte dan weer open strijd, een strijd die ieder keer eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen.’
Het 19e-eeuwse proletariaat benoemt zich tot de ware erfgenaam van deze revolutie tegen de uitbuiting. ‘Wie niet werkt, zal niet eten’, wordt de leus van de arbeiders. In 1848 wordt het recht op Arbeid uitgeroepen. De gefedereerden van de Parijse Commune van maart 1871 verklaren dat hun opstand ‘de Revolutie van de arbeid’ is. In 1917 nemen de Russische Revolutionairen het devies ‘wie niet werkt zal niet eten’ heel serieus. Het wordt het uitgangspunt van de inrichting van de nieuwe maatschappij.

3. De omkering van alle waarden
Lafargue’s kritiek op de ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’, maakt zo bezien deel uit van een langgerekte klaagzang tegen uitbuiting die heel de geschiedenis al klinkt en maar niet wil verstommen. Maar hoe realistisch is Lafargue’s klaagzang aan het adres van de nietsdoende uitbuiters? Hoe waardeloos zijn het werk en de producten die Lafargue als waardeloos beschouwt? Hoe waardeloos is de bourgeoisie waar Lafargue zijn pijlen op richt?
Het is moeizaam in te zien hoe juist de bourgeoisie die door de verering van arbeid groot is geworden, verketterd kunnen worden als nietsdoeners. Dat heeft Lafargue bij Marx kunnen lezen. In het begin van het Communistisch manifest geeft Marx een verkapt compliment aan de enorme daadkracht van de burgerij.
‘De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en van de goederen in het algemeen, gaven aan de handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling. (…) Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industriële productie. (…) De grootindustrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan de handel, de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze heeft op haar beurt op de uitbreiding van de industrie ingewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op de achtergrond.’
Is dit dezelfde burgerij die Lafargue wegzet als ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’? Is het aannemelijk dat de burgerij die arbeid zo hoog in het vaandel heeft staan en precies in naam van de arbeid de macht van de ‘luie’ adel gebroken heeft, nu opeens niets meer doet? Zo beschouwd komt de indeling van Lafargue lichtelijk absurd over. Hooggewaardeerde beroepen als rechter, politiechef, generaal en bankier worden doorgaans als zeer waardevol gezien. Dat Lafargue dat niet vindt, doet zijn theorie lijken op een carnavaleske omkering van de normale wereld.
Maar dat gevoel van omkering is precies wat de 19e eeuw zo kenmerkend maakt. De revolutie van 1789 wil het oude afschaffen en helemaal opnieuw beginnen. J.S. Mill schrijft in 1848 dat ‘a general reconsideration of all first principles is felt to be inevitable’. Omkering, omwenteling, verandering; het zijn wellicht de belangrijkste kenmerken van de moderniteit. Marx en Engels opnieuw:
‘De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken schok aan alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging, onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verhoudingen verouderen, voordat zij zich kunnen verstenen. Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanzien.’

Maar wat zag de mens die met nuchtere ogen de wereld in keek? Wat had nog waarde? Wat had nog waarde nu het heilige was ontwijd, het feodale was verdampt? Wat waren de nieuwe waarden van de Franse Revolutie, de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en de Industriele Revolutie?
Wat is waarde?
In de ontzagwekkende openingspagina’s van het Communistisch manifest geven Marx en Engels aan dat in het tijdperk van de bourgeoisie er een geheel nieuwe opvatting is ontstaan over ‘waarde’:
‘De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle feodale, aartsvaderlijke, idyllische verhoudingen vernield. Zij heeft de bontgeschakeerde feodale banden, die de mens aan de van nature boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen andere band tussen mens en mens overgelaten dan het naakte eigenbelang, dan de gevoelloze ‘contante betaling’. Zij heeft de heilige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift, van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in de ruilwaarde opgelost en in de plaats van de talloze verleende en verworven vrijheden als enige vrijheid de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats van de met godsdienstige en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke, schaamteloze, directe, dorre uitbuiting gesteld.
De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde ambten van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de geneesheer, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie heeft van de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht.’

Het spreken over ‘waarde’ is een economisch debat geworden. Naakt eigenbelang, contante betaling, egoïstische berekening, dorre uitbuiting, loonarbeid en geldverhoudingen ontmaskeren de heilige, magische en ridderlijke verzinsels van de Middeleeuwen. Marx en Engels waren zeker niet de enige die de discussie over ‘waarde’ in economische termen uitvochten. In 1776 zag ‘An Inquiry into the Wealth of Nations’ het daglicht. Adam Smith stelt zich de vraag wat een land rijk maakt, hoe waarde ontstaat. In de uitwerking van die vraag preciseert Smith wat waardevolle arbeid - in contrast met improductieve arbeid - is die tot rijkdom leidt, hoe het nastreven van economisch eigenbelang tot de best mogelijke wereld leidt. Bijna ongezien vervangt de economie zo de ethiek. Waarde, waardevol werk, waardigheid, waarden: het worden economische vragen.

dinsdag 10 maart 2009

Rousseau, Sieyes

Vragen bij de teksten
We hebben bij Locke een poging gezien het bestaan van prive-eigendom te rechtvaardigen. Het cruciale criterium blijkt arbeid te zijn, hoe lullig de vorm van arbeid ook is (Locke spreekt van het oprapen van iets waardoor het opgeraapte object eigendom wordt omdat bukken een vorm van arbeid is). Belangrijk wordt nu de vraag: wat is arbeid? Van maatschappelijk belang wordt verder de vraag in hoeverre de heeersende standen, de adel en de geestelijkheid, zoiets als arbeid verrichten. Is bidden een vorm van arbied? En de adel: heeft die niet altijd haar status onderstreept door juist geen arbeid te leveren?
De vraag naar wat echte arbeid is en wat niet geeft ons de sleutel de Franse Revolutie, de Amerikaanse Revolutie en het communsime en kapitalisme te begrijpen.

1. Bij Robinson Crusoe tekst:
a. Geef op basis van de tekst aan welke criteria er zijn voor produktieve arbeid.
b. Wat is de relatie tussen bruikbaarheid en produktieve arbeid?
c. Welke menselijke activiteiten zijn volgens de Crusoe norm niet echt bruikbaar en daarmee niet produktief?

2.
a. Leg uit hoe Rousseau de Crusoe norm gebruikt in de opvoeding van Emile.
b. Hoe zal Emile denken over de rechtvaardigheid van de standenmaatschappij? Verklaar je antwoord.

3. De tekst van Sieyes is het belangrijkste pamflet van de Franse Revolutie.
a. Leg uit dat zijn opvatting over produktieve arbeid de Franse Revolutie rechtvaardigt.
b. ‘Wie niet werkt zal niet eten’ is tijdens de Franse Revolutie en later tijdens het communisme een belangrijke slogan.
Leg uit wiens doodvonnis hiermee in de ogen van Sieyes getekend is.

1. De Robinson Crusoe-norm
n het vierde jaar van zijn schipbreuk is Robinson Crusoe in het reine gekomen met zijn noodlot. De ellende van de eenzaamheid heeft hij middels wat geestelijke acrobatiek omgebogen tot een heilsgeschiedenis. Ver weg van vleselijke verleidingen, werkt Robinson in het zweet des aanschijns. Robinson heeft alles met eigen handen gemaakt. Alles is van hem.
‘Ik was heer van het ganse ambacht; of, indien ik daar zin in had, kon ik mijzelf koning of keizer van de ganse landstreek die ik in bezit had genomen had, noemen.’
Maar Robinson is een koning zonder diamanten kroon. Alleen het bruikbare heeft waarde.
‘Ik had scheepsladingen graan kunnen verbouwen, maar ik had er geen behoefte aan, dus zaaide ik slechts zo weinig als ik voor mijn eigen gebruik dacht nodig te hebben. Ik had schildpadden in overvloed, maar als ik er slechts zo nu en dan eens eentje ving, kon ik er weer een heel tijdje mee toe. Ik had timmerhout genoeg om een ganse vloot te bouwen, en druiven genoeg, om zoveel wijn te maken, of ze tot zulke hoeveelheden rozijnen te drogen, dat ik er die hele vloot, wanneer hij gebouwd was, mee had kunnen bevrachten.
Doch dit alles had slechts waarde inzover ik het gebruiken kon. Ik had voldoende voedsel en kon ook in mijn verdere behoeften voorzien; wat had ik dan meer nodig? Indien ik meer geiten of vogels schoot dan ik opeten kon, moest mijn hond ze opeten, of het ongedierte. Indien ik meer koren zaaide dan ik eten kon, zou het bederven. De bomen die ik had omgehakt lagen op de grond weg te rotten; ik kon ze enkel voor brandstof gebruiken, en die had ik nog alleen nodig om mijn voedsel klaar te maken. In één woord, de aard en ervaring der dingen leerden mij, na er verstandig over te hebben nagedacht, dat alle goede dingen ter wereld slechts de goede dingen der wereld voor ons zijn, in de mate waarin wij ze kunnen gebruiken; en dat we, hoeveel we ook vergaren mogen om aan anderen te geven, slechts van zoveel ervan genieten als wij gebruiken kunnen, en meer niet.’ (mijn cursiveringen)
Zie daar de Crusoe-norm: alleen het bruikbare dat bijdraagt aan het fysieke overleven heeft waarde. Overvloed bederft. Diamanten en geld zijn afgemeten aan de Crusoe-norm onbruikbaar.
‘Ik had, zoals ik reeds eerder even vermeld heb, een hoeveelheid geld, zowel in goud- als in zilverstukken, ongeveer zesendertig pond sterling tezamen. Helaas! Daar lag de gemene, armzalige, nutteloze rommel; ik had er niets aan. Ik dacht vaak bij mijzelf dat ik er graag een handvol van gegeven zou hebben voor een gros tabakspijpen, of voor een handmolen om mijn graan te malen; ja, ik zou het allemaal graag hebben gegeven voor een enkel zakje zaad van wortelen en knollen uit Engeland, of voor een handvol erwten en bonen een fles inkt. Zoals de omstandigheden waren, had ik er niet het minste voordeel van, doch lag het er maar in een hoek, klam en schimmelig door het vocht in mijn rotshol gedurende de natte jaargetijden. En indien de lade waarin het lag vol diamanten had gezeten, zou het precies eender gebleven zijn – ze zouden waardeloos voor me zijn geweest omdat ik er geen gebruik van kon maken.’ (mijn cursivering).

Voor Crusoe zijn diamanten waardeloos omdat ze onbruikbaar zijn. Het is precies deze Crusoe-norm die door Adam Smith wordt toegepast in zijn ‘Paradox of Diamonds and water’.
Maar wat heeft het avonturenverhaaltje van Daniel Defoe over een verzonnen personage dat schipbreuk leidt te maken met zoiets serieus als de economische theorieën van Adam Smith?
Alles.
Hoe gek het ook moge klinken: de Crusoe-norm vormt de basis voor de gehele theorievorming van de klassieke economie. Karl Marx verwijt Ricardo en Smith telkens gebruik te maken van zogenaamde Robinsonaden: ‘Der Einzelne und vereinzelte Jager und Fischer, womit Smith und Ricardo beginnen, gehort den phantasielosen Einbildungen des 18. Jahrhunderts. Maar Marx zelf haalt Crusoe te pas en te onpas van stal om zijn theorie te stutten. In ‘Das Kapital’ is Robinson de belangrijkste getuige in zijn bewijsvoering voor de waarheid van zijn arbeidswaardetheorie. Daar wordt meteen duidelijk welke consequenties de Crusoe-norm heeft voor het onderscheid tussen werk en vrije tijd.
‘Bescheiden als Crusoe van huis uit is, heeft hij toch verschillende behoeften te bevredigen en daartoe moet hij nuttige arbeid van verschillende aard (cursivering is van Marx) verrichten, werktuigen maken, meubelen fabriceren, lama’s temmen, vissen, jagen enz. Van bidden en dergelijke praten we hier niet, omdat onze Robinson daarin genoegen schept en een dergelijke bezigheid als recreatie (Erholung) beschouwt (mijn cursivering).
Werken dat tot waarde leidt, oftewel; waardevol werk, verschijnt bij Robinson als het maken van gebruiksvoorwerpen die bruikbaar zijn voor het overleven. Geen diamanten, maar water. Al die activiteiten die niet direct tot productie van waardevolle objecten leiden, zoals bidden, behoren niet meer tot het waardevolle werk. De vraag wordt dan of het nog wel waarde heeft. Marx plaats bidden, met zijn gebruikelijke sarcasme ten aanzien van alles dat met religie te maken heeft, in een ander domein: het domein van de recreatie. Tegenover het ware werk dat nuttige gebruiksvoorwerpen voortbrengt verschijnt de vrije tijd waarin je overbodige, in de zin van niet noodzakelijke, dingen mag doen waarin je genoegen schept. Bidden, het o zo belangrijke, waardige werk van de geestelijkheid, wordt zo in een keer tot een onnut privé-tijdverdrijf verklaard.
De Crusoe-norm is tevens maatgevend voor Lafargue’s denken. Immers, Robinsons nuttige werkzaamheden vallen precies samen met wat Lafargue als waardevol werkt beschouwt. En Robinsons verlangen naar louter bruikbare voorwerpen (liever een graanmolen dan een diamant) valt precies samen met Lafargue’s categorisering van waardeloze en waardevolle objecten.
Robinson Crusoe verschaft hét criterium voor het bepalen van ‘waarde’ nu al het heilige ontwijd is.


6. Het enige boek dat Emile iets kan leren over wat waarde heeft

Rousseau beweert in zijn opvoedkundige traktaat Emile dat hij boeken haat, behalve Robison Crusoe. De andere boeken hebben geen waarde, precies omdat ze je niet leren hoe waardevol werk te verrichten. Ze leren je alleen maar te praten over datgene waar je geen weet van hebt. De avonturen van Robinson Crusoe vormen hierop een uitzondering. Het is dan ook het enige boek dat de jonge Emile mag lezen.
In boek IV van Emile beweert Rousseau:
‘De beste manier om Emile los te maken van vooroordelen en hem zijn oordelen te laten baseren op de ware verhoudingen der dingen (vrais rapports des choses) is hem zich te laten verplaatsen in de schipbreukeling (…) die de bruikbaarheid als uitgangspunt van zijn oordeel zal nemen.’
Door het lezen van Robinson Crusoe leert Emile het ware van het onware, het bruikbare van het onbruikbare, het noodzakelijke van het overbodige te scheiden. Rousseau zet zijn verraderlijke gebruik van het woord natuur in: ‘besoins naturels’, ‘éducation naturelle’, ‘sciences naturelles’. Natuurlijk is dat wat bruikbaar is en bruikbaar is datgene dat Robinson Crusoe nodig heeft om te overleven. Dat maakt in een klap zo’n beetje alles dat Emile omringt onnatuurlijk.
Om Emile te beschermen tegen het ‘onnatuurlijke’ wil Rousseau dat Emile onophoudelijk bezig is met het navolgen van Robinson:
‘Laat hem bezig zijn met het bouwen van zijn kasteel, zijn plantages, zijn geiten. Laat hem door de praktische omgang met de dingen, niet door het lezen van boeken, in detail uitvinden wat noodzakelijk is. Laat Emile denken dat hij Robinson zelf is; laat hem zichzelf kleden in dierenhuiden, een grote hoed dragen, een groot zwaard, alles wat Robinson ook gebruikte (…)’.
Emile leert zo het verschil tussen waardevol en waardeloos kennen.

Rousseau presenteert aan de hand van Robinson Crusoe een hiërarchie van waardevolle werkzaamheden. Het merkwaardige is dat Emile in de wereld om hem heen deze hiërarchie precies omgekeerd aantreft. Rousseau geeft Emile een simpele omrekeningsformule mee: hoe bruikbaarder en hoe waardevoller het werk, hoe minder maatschappelijke waardering het werk heeft. Rousseau plaats landbouw boven aan de hiërarchie. Vervolgens metaalbewerking en timmeren. Waardevol werk bestaat kortom uit fysieke handenarbeid die concrete voorwerpen voortbrengt. Maar van het belang van handwerk zal Emile in de maatschappij niets terugzien. Rousseau waarschuwt:
‘Er bestaat een maatschappelijke waardering van werkzaamheden die omgekeerd evenredig is met het nut (bruikbaarheid, waarde) van het werk. Hoe hoger het werk maatschappelijk gewaardeerd wordt, hoe minder bruikbaar het is. De meest nuttige werkzaamheden, leveren het minste loon op(…).’
Emile moet deze onnatuurlijke maatschappelijke vooroordelen achter zich laten. Hij moet, volgens de Crusoe-norm voor waarde, ‘de slotenmaker hoger aanslaan dan de juwelier, ijzer moet in zijn ogen een hogere prijs hebben dan diamanten (…). Emile moet schoenmaker en steenhouwer hoger in het vaandel hebben dan alle juweliers in Europa. In zijn ogen is de klerenmaker een echt groot man en hij moet de gehele academie van wetenschappen van minder waarde achten dan de kleinste banketbakker in de rue des Lombards. Goudsmeden, graveerders, gilders en borduurders zijn in zijn ogen lui die zich bezighouden met volstrekt waardeloze spelletjes.’
De maatschappij heeft een schijnwereld van waarde gecreëerd die Emile van zich af moet werpen. ‘Welk oordeel zullen kinderen vormen van de ware waarde van werk en de ware waarde van dingen als ze overal om hen heen de prijs van fantasie zien die in tegenspraak is met prijzen die gebaseerd zijn op ware bruikbaarheid, en dat hoe meer een ding kost, hoe minder het eigenlijk waard is.’ Als deze onware waardering van waardeloze dingen eenmaal post hebben gevat in het hoofd van de jongeling, zo waarschuwt Rousseau, is de opvoeding bij voorbaat mislukt.
Rousseau en Lafargue hebben niet alleen dezelfde opvattingen over wat waardevol werk is, ze delen beiden ook een afkeer van luxe producten. Rousseau leert Emile dat kunstenaars alleen voor ‘ledigen en rijken’ werken. De waarde van de kunstige voorwerpen is arbitrair, met andere woorden: onnatuurlijk, omdat ‘de waarde van de ijdele arbeid alleen gebaseerd is op opinie (…)’. Die opinie komt tot stand uit de behoefte van de rijken om zich te onderscheiden van de armen. Rousseau: ‘De rijken waarderen deze produkten juist zo enorm omdat ze te duur zijn voor de armen.’ Zo ontstaat volgens Roussau het vreemde verschijnsel dat ‘de prijs zelf een deel van de waarde van het produkt’ wordt. Thorstein Veblen zal dit verschijnsel beschrijven als conspicous consumption: de neiging van de rijken veel te veel geld uit te geven aan nutteloze dingen om zo de armen van hun superioriteit te overtuigen. Walgelijk en onnatuurlijk gedrag zal Rousseau zeggen. Dom gedrag zal Lafargue zeggen. Je werkt je krom voor iets dat volstrekt nutteloos is. Je kan beter luieren.






Emmanuel Sieyes wat is de derde stand? Afdrukken E-mail

Emmanuel Sieyès (1748-1836): Qu'est-ce que le Tiers-Etat, 1789



‘Het plan van dit geschrift is vrij eenvoudig. Wij hebben ons drie vragen te stellen:
1 Wat is de derde stand? Alles.
2 Wat is hij tot op heden op politiek gebied geweest? Niets.
3 Wat vraagt hij? Iets te worden. De derde stand is de hele natie.

Wat is er nodig opdat een natie zou blijven bestaan en bloeien? Particuliere ondernemingen en openbare ambten. Alle particuliere ondernemingen kunnen in vier groepen ondergebracht worden: veldarbeid, industrie en handel, wetenschappen en kunsten, en huisarbeid.
Wie oefent deze bedrijvigheden uit? De derde stand. Maar de winstgevende en eervolle ambten zijn alleen door de leden van de bevoorrechte standen bezet.

Wat is de derde stand tot hiertoe geweest? Niets. Beknopt samengevat: de derde stand heeft totnogtoe geen ware vertegenwoordigers bij de Staten-Generaal: hij bevond zich bijgevolg niet in het bezit van zijn politieke rechten.

Wat verlangt de derde stand te worden? Iets. Hij wil hebben:
1) ware vertegenwoordigers bij de Staten-Generaal, d.w.z. afgevaardigden uit zijn stand genomen, die de verdedigers van zijn wil en van zijn belangen kunnen zijn.
Hij verlangt: 2) evenveel vertegenwoordigers als de andere twee standen samen.
De derde stand verlangt: 3) dat de stemmen per hoofd en niet per stand geteld zouden worden’.




6. Burgerij versus adel en geestelijkheid
Zowel Sieyes als Ricardo hechten aan het belang van productieve arbeid in contrast met improduktieve arbeid. De afperking van wat als productieve arbeid mag doorgaan is vrijwel identitiek. Bij Sieyes wordt alle activiteit die een natie in leven houdt en tot bloei brengt toegeschreven aan de derde stand, oftwel de burgerlijke stand.
Sieyes is heel stelling, ja, zelfs gewelddadig in zijn afbakening van de burgerij ten opzichte van de adel en de geestelijkheid. De scheidslijn tussen de derde stand en de eerste en tweede stand wordt bepaald door een criterium van (economische) productiviteit. Sieyes opent zijn pamflet met de vraag: ‘Que faut-il pour qu’une nation subsiste et prospère?’ Het antwoord is simpel: De derde stand doet ‘alles’. De gepriviligeerde standen voegen ‘niets’ toe. ‘Alles’ laat zich omschrijven door de werkzaamheden van de derde stand die zich laten opdelen in vier soorten productieve arbeid. Allereerst de landbouw. Hier wordt de ‘la matière première des besoins de l’homme’geproduceerd, of in Ricardo’s vocabulaire de ‘necessities’. Voorts de ambachten, waardecreerend handwerk waarin de grondstoffen omgevormd worden tot gebruiksvoorwerpen. Ten derde kooplieden en handelaren, de menigte van tussenpersonen die de schakel vormen tussen produktie en consumptie. Ten slotte de meest diffuse groep van werkers. De eerste drie groepen hielden zich bezig met produktie en verkoop van materiele produkten. De vierde groep verleent diensten die de kwaliteit van leven verhogen. Van arts tot bediende, van advocaat tot leraar en niet te vergeten de bekleders van publieke ambten.
Deze laatste groep noemt Sieyes in het begin van zijn pamflet niet expliciet. De redenen daarvoor zijn taktisch. Het zijn tot voor 1789 namelijk vooral de gepriviligeerde standen die de publieke ambten (rechtspraak, belastinginning, leger) bekleden. Hun egoisme maakt dat de publieke zaak aangewend wordt voor individueel gewin en daarmee schade berokkent aan de natie. Dat neemt niet weg dat de publieke ambten wel degelijk economische nut kunnen hebben, op voorwaarde dat de overheidsdienaren de gemeenschapsgezinde mentaliteit van de derde stand hebben. Hier zien we reeds een duidelijk verschil met Ricardo die zich wellicht heeft laten verblinden door de anti-overheidsretoriek uit de epoche van de Franse Revolutie. Ricardo’s ‘unproductive labourers’ van de overheid gelijken op de door Sieyes bekritiseerde gepriviligeerde standen, bijvoorbeeld in de zin dat ze niet te vertrouwen zijn en hun private belang boven dat van de gemeenschap stellen, zoals Ricardo aangaf in zijn wonderbaarlijke suggestie dat bankiers betrouwbaarder zijn dan de overheid die het geld verbrast met oorlogje spelen.
Een andere gelijkenis tussen Sieyes en Ricardo loopt ook in het oog. Opnieuw lijkt het – en het blijft moeilijk Ricardo ergens op vast te pinnen omdat hij nergens precies is in zijn aanduidingen – dat de anti-overheidsretoriek van Sieyes doorklinkt in Ricardo’s kritiek op de monarch en zijn overheidsdienaren. Ricardo zet de overheid steevast weg als ‘unproductive’ en verbindt dit in een passage met een zeker nietsdoen en een voorliefde voor luxe consumptie (Principles, hfst. 16, On Taxes and wages). Bij Sieyes is deze veroordeling veel sterker. Sieyes schiet met scherp en vaardigt een ter doodverklaring uit aan het adres van de gepriviligeerde standen. De adel heeft geen bestaansrecht omdat ze zich aan produktieve arbeid onttrekt. De gepriviligeerde klasse hebben namelijk niets toe te voegen aan de materiele rijdkom die boeren, ambachtslieden en handelaren creeren. Als ze al de moeite nemen een publiek ambt te bekleden dan doen ze dat ten koste van het algemene belang. Ze parasiteren op de door de derde stand gecreerde rijkdom. Ze verzwakken en verzieken de samenleving. De aard van het virus betreft hun ‘ongeneeslijke luiheid’ (paresse incurable), hun ‘faineantisme’, hun egoisme, hun voorkeur voor erebaantjes waar je niets voor hoeft te doen. Sieyes, zelf van adel maar bekeerd tot de burgerlijke religie van de arbeid, signaleert bij de gepriviligeerde standen ‘slechte zeden die hen tot vreemdelingen maakt ten aanzien van maatschappelijk relevante arbeid’. Voor de werkschuwe geprivlilgeerden is het ‘honorable de consommer et humiliant de produire’. De zware beroepen die de ‘classes laborieuses’ uitvoeren worden als slecht en verachterlijk gezien, terwijl dit werk het enige reeele, echte werk is. Het is duidelijk: niet dit produktieve werk is slecht, maar de zeden van de gepriviligeerden, zij die het ‘meest profiteren van de publieke zaak er het minst aan bijdragen’.
De improduktiviteit en slechte zeden (luiheid) van de gepriviligeerde standen rechtvaardigen een zuivering. Sieyes beschrijft het parasitaire karakter van de gepriviligeerde standen in biologische termen: ze zijn een ziekte die uitgeroeid moet worden. In de onheilspellende laatste zinnen van het pamflet zien we het bebloede lemmet van de guillotine reeds haar machinale zuivering voltrekken. ‘En attendant, il est impossible de dire quelle place deux corps privilégiés doivent occuper dans l’ordre social : c’est demander quelle place l’on veut assigner, dans le corps d’un malade, à l’humeur maligne qui le mine et le tourmente. Il faut la neutraliser, il faut rétablir la santé et le jeu de tous les organes assez bien pour qu’il ne s’y forme plus de ces combinaisons morbifiques, capables de vicier les principes les plus essentiels de la vitalité.’
Deze ingreep zal de natie niet verzwakken, maar zoals dat bij genezing van een ziekte gebruikelijk is, sterker maken. Hier zien we een opvatting over efficientie, gebaseerd op een visie op wat als produktieve arbeid doorgaat, die lijkt op de kritiek van Ricardo op ‘government’. De ingrepen van de overheid worden door Ricardo als onnatuurlijk gezien en verstoren de natuurlijke flow van de goederen en kapitaal. In zekere zin is de overheid in die rol vergelijkbaar met een ziekte waarvan de samenleving moet genezen. Wel is er een verschillende nadruk bij Ricardo. Zoals opgemerkt zien we slechts een keer bij Ricardo de improduktieve klassse expliciet beschuldigd wordt van ‘idle’ gedrag. De sterke morele veroordeling van de aristocratische mores zoals bij Sieyes blijft echter achterwege. Bij Ricardo spitst de kritiek zich toe op hun economisch schadelijke beleid. Maatregelen van de ‘government’ als belastingen, invoertarieven, wetgeving die inperking van vrij verkeer van personen en goederen beoogt, het voeren van oorlog, ‘onnatuurlijk’ hoge rentetarieven als diezelfde oorlog de overheid noopt tot enorme leningen; dit type beleid schaadt de groei van de economie. Waar er bij Sieyes naast een economische argumentatie een sterke morele veroordeling (slechte zeden, egoisme, faineantisme) klinkt, is de kritiek bij Ricardo economisch geworden. Van belang is op te merken dat deze zuiver economische veroordeling van de overheid vereist dat Ricardo in het vage blijft over de precieze karakter van de improduktieve arbeid van soeverein en overheidsdienaren. Dat is bij nauwkeurige analyse ontoereikend, want waarop baseert Ricardo het corrupte karakter van de overheidsdienaren, hun onbetrouwbare, egoistische gedrag dat maakt dat particuliere banken wel te vertrouwen zijn en de overheid niet? Het lijkt er sterk op dat Ricardo de moreel geinspireerde anti-overheidsretoriek uit de epoche van de Amnerikaanse- en Franse revolutries heeft overgenomen, zonder daar rekenschap van te geven. De Ricardiaanse kritiek lijkt zuiver economisch, maar is doordesemt met een politieke en morele lading.
Hetzelfde negeren van het politieke om zo de schijn van een zuiver economische orde te creeren zien we in de genese van de maatschappelijke orde. Voor Sieyes is het kraakhelder dat de onrechtvaardigheid van de maatschappelijke ongelijkheid precies erin ligt dat de produktieve klasse alles doet, maar geen enkele politieke macht heeft. Politiek en economie zijn daarmee historisch gezien twee onderscheiden domeinen. Sieyes situeert de opkomst van de derde stand in de geschiedenis en traceert een economische ontwikkeling waarin niewe werkzaamheden, nieuwe vormen van rijkdom opleveren en daarmee nieuwe klassen doet ontstaan. Er is sprake van verandering. Precies deze historische verandering maakt dat de politieke machtsverdeling in de in 1789 bijeengeroepen Staten generaal niet meer volgens de reglementen van 1614 mag plaatsvinden. De gegroeide economische macht van de derde stand rechtvaardigt een herverdeling van politieke macht.
In de toekomst zal de economische macht samen moeten vallen met politieke macht; in het verleden is dat echter niet het geval geweest. De verklaring voor de het bezit van de politieke macht door de gepriviligeerde standen kan niet verklaard worden op economische gronden. Ze zijn immers economisch parasitiar. De genese van hun macht ligt in roof en verovering; het usurperen van macht met als doorslaggevende argument bruut geweld. Het behoud van de macht laat zich begrijpen als politieke onderdukking en een ideologie waarin traditie en (familie)geschiedenis een doorlopende lijn van privileges rechtvaardigt. Sieyes verklaart traditie en de overgeerfde rechten voor irrelevant. In de nieuwe maatschappelijke orde zijn talent en kunde en de aanwendig daarvanten batevan produktieve arbeid, de rechtvaardiging voor het verkrijgen van politieke macht.
Bij Ricardo is een dergelijke genese van de maatschappelijke orde afwezig. Bij Ricardo bestaan er simpelweg drie klassen. Dat krijgen we er op de eerste pagina al ingepeperd. Politieke economie bestaat er volgens Ricardo in te begrijpen hoe de verdeling van de rijkdom over die drie klassen plaatsvindt. De veel belangrijkere vraag hoe de politieke economie kan verklaren hoe deze drie onderscheiden klasse zijn ontstaan, laat Ricardo achterwege. Hier kan geen sprake zijn van onwetendheid. Ook Ricardo wist dat landbezit en voorrecht was van de gepriviligeerde klasse en ook Ricardo wist, zoals dat in de retoriek van de Franse revolutie keer op keer werd herhaald, dat addelijk landbezit niet verkregen was door produktieve werkzaamheid, maar door roof en vervolgens overerfing. Het negeren van deze genese van landbezit schept de illusie dat Ricardo volgens zuiver economische pirncipes de verdeling van de rijkdom kan beschrijven. Roof, geweld en politieke onderdukking die bij Sieyes zo’n belangrijke rol spelen, worden zo weggezuiverd uit de zuiver economische droomwereld van Ricardo.

maandag 9 maart 2009

Resultaten opdracht Revolutie

1. Voorbeelden van Revolutie en Verandering.
- Revolutie is een plotseling, grote verandering met betrekking tot een grote groep mensen. (meest gangbare definitie. Maar wat bedoelen we met plotseling? Is de Franse revolutie tegelijkertijd ook niet de uitkomst van eeuwenlange processen?).
- Voorbeelden Revolutie: Franse rev, Amerikaanse rev, industriele revolutie, vrouwenemancipatie, Cubaanse revolutie, Russische revolutie, Chinese Revolutie (Mao), mileu, tijd, weer, technologie, uiterlijk, eten (?), denkbeelden, mutatie., mode, wetenschap, groene revolutie, rode revolutie, daltonsysteem *van 45 naar 60 min), geld wisselen (!), verandering van president, Wilders (fitna), opkomst protestantisme, Darwin/wetenschap, revolution nr. 9 (?), Pim Fortuyn, 9/11, terroristische aanslag,

Revolutie: wijziging in iets structureels (belangrijke toevoeging. Dat onderscheidt revolutie van een bloedige oorlog die niets structureels verandert.

- Verandering: iets wordt anders dan wat het was. (tijd is belangrijke dimensie, worden (maar wat is de bron? Iets externs, iets interns?)

Verandering zichtbaar in:
seizoenen, verkiezingen, evolutie, instiuten (kerk), mensen, ideeen, gedachtes, omgeving, van puber tot volwassene, rentedaling/stijging, van arm naar rijk, kikkerdril tot kikker, van boom naar papier, van katoenplant naar t-shirt.

2. Oorzaken verandering (menselijk wil?, extrinsiek - intrinsiek)


Natuur. Daarbij mensen niet nodig. Verandering ‘vereist niks’. ‘Voorl niet gewild’. ‘Tijd verandert alles’.

Menselijk handeling: speelt bij sommige veranderingen wel een rol. Bij anderen helemaal niet, bv. ouder worden. Wel een rol bij persoonlijke verandering
Ontevredenheid onder een grote groep mensen
- ‘Revolutie heeft altijd mensen nodig’. ‘Zonder menselijke wil geen revolutie’. (klopt, dat maakt revolutie bij uitstek een menselijke aangelegenheid)
- Verlangen naar verandering.
- Steun va invloedrijke groep (volk, leger etc)
- Oorzaak: specifieke omstandigheden van leven (verandering heeft dan een bepaalde noodzaak) : slavernij, geen gelijke rechten, politieke onderdrukking, afzeten tegen dominante cultuur, armoede, geen schoon drinkwater, uitbuiting.
- Altruisme van mens zrgt voor verandering.
- Ziektes. (AIDS, pest enz).


Output verschilt van input.

Van klein naar groot.

Niet aan tijd gebonden
Een ding op zichzelf (?)

extrensiek – instrinsiek (verschil is zoals altijd lastig te dedinieren) In volgende uitspraak zien we samengaan van de twee:
‘Mogelijkheden zijn met de tijd gekomen (intrinsiek proces?) maar als de mens niet zou willen zou er geen revolutie komen (vrijheid, keuze in mogelijkheden).

- intrinsiek: van kikkerdril naar kikker of van puber naar volwassene zijn in zekere zin intrinsieke veranderingen. De verandering ligt al noodzakelijk besloten in het ding zelf. Hier zien we Telosbegrip van Aristoteles. We zien dit denken terug in het geloof in natuurwetten. V erandering is daar geen keuze, geen mogelijkhed, maar logische vervolg. Hetzelfde zien we bij Marx en de komst van een nieuwe samenleving. Of in het fenomeen crisis dat een inherent onderdeel vormt van kapitalisme, waardoor je eigenlijk niet kunt spreke van een crisis, omdat er geen sprake is va een uitzonderingstoestand.
- Extrensiek: van kantoenplant tot t-shirt. Hierbij komt een keuze kijken, een ingrijp die een van de mogelijkheden realiseert. We gebruiken hier in extremere zin het woord onnatuurlijk voor: bijvoorbeeld als een doorgevoerde verandering van bovenaf voorbijgaat aan de wensen van de bevoloking, of leerlingen die van bovenaf opgelegd wordt wat te doen.


3. Rechtvaardiging Revolutie en Verandering.
- Ontevredenheid heden.
- Eindsituatie beter.
- Verbeteringen.
- Geen noodzaak (in de zin dat het ‘gewoon’ gebeurt?)
- Iets (?) wordt beter dan het was, van slecht naar goed.
- Zelfontplooiing
- Eigentijdse belangen waarmaken.
- Plato (?)
- Vooruitgang boeken.
- dat mensen er beter van worden.

Hier zien we specifieke rechtvaardigingen (maar interessant genoeg bij 2 geplaatst: slavernij, geen gelijke rechten, politieke onderdrukking, afzeten tegen dominante cultuur, armoede, geen schoon drinkwater, uitbuiting.
Hieruit blikt dat we een bepaalde norm hanteren op basis waarvan we bestaande afkeuren. Die normen moeten we expliciet maken. In ieder geval speelt het begrip Vrijheid en menselijke wil een grote rol. Pas als er de vrijheid is te kiezen voor verandering wordt het relevant om er uberhaupt over te spreken.

Analyse: Maar wat bedoelen we met beter en slechter? Hoe meten we vooruitgang? Moeten we dan niet eerst weten waar we heen willen? En eigentijdse belangen. Wat is dan een belang van de iegen tijd?
Het is precies deze onduidelijkheid die filosofen proberen uit te werken in hun maatschappijvisies. Een mogelijkheid daarvoor is het schetsen van een utopie/ideale staat. Dat geeft een maatstaf om beter en slecht aan af te meten. Een andere methode is het poneren van een natuurstaat. Zodoende kun je aan de afwijking van de natuurlijke staat van de mens beter of slechter afmeten. Of zoals Machiavelli: als je een extreem negatieve opvatting over de natuur van de mens hebt dan wordt zoeits als beter nauwelijks voorstelbaar. Wetenschap is ook een verschaffer van maatstaven. Op basis van wetenschappelijk onderzoek worden telkens aanbevelingen gedaan voor een verandering. Wetenschap probeert zich hierin als objectief te presenteren, hetgeen zoveel betekent als willoos. Feiten ZIJN. Op basis van dat sort denken worden normatieve overtuigingen als onzin weggezet.

Uit de antwoorden blijkt de noodzaak normatieve termen te expliciteren (zie het verschil tussen descriptief en normatief aan het begin van het hoofdstuk). Dat is een algemeen verschijnsel. Er bestaat een neiging alles te kwantificeren opdat we zoiets als vooruitgang kunnen meten aan een economische groei. Als de cijfers dan dalen spreken we van een crisis, maar probleem is dat onduidelijk is wat de cijfers überhaupt meten. Hetzelfde geldt voor onderwijs. Kwaliteit van het onderwijs wordt gekwanticeerd in toetscijfers. Maar de vraag naar kwaliteit van leren laat zich niet beantwoorden door te wijzen naar goede of slechte toetscijfers.

Nadere specificatie opdrachten

Nadere specificatie opdrachten:
De opdrachten zijn een poging jullie meer te betrekken bij de stof. Misschien voelt het in eerste instantie aan als opgelegde betrokkenheid (jij MOET je betrokken voelenm. Waarom mag je dat niet zelf uitmaken?). Maar ik hoop dat het uiteindelijk wel degelijk bijdraagt aan een persoonlijke betrokkenheid. Als dat uiteindelijk niet lukt dan is het simpelweg niet zinvol dat we samen zoiets als filosofie bedrijven.

1) Opdracht : tekst voorbereiden voor in de les.
- We oefenen hier eerst mee in de klas. Vervolgens maken we een tijdsindeling.
- Het gaat erom dat je een stukje tekst uit het handboek uitkiest. Het stukje tekst moet je ergens aanspreken. Je bent het er mee eens/oneens, je snapt de redenering niet, je vraagt je af welke consequenties deze gedachte heeft, je verbindt het met iets hedendaags enz. Het doel van de opdracht is kritisch leren lezen.

2) Vage opdracht
Graag willen jullie precies weten wat je moet doen, maar dat betekent eigenlijk dat ik al alles voorkauw en jullie volgen. Juist doordat je persoonlijke inbreng belangrijk is, wil ik niet alles van tevoren dicht tikken. Het is hier niet de bedoeling dat jullie weer een werkstuk gaan maken. Wat dan wel?

Stap 1: - In kaart brengen welke veranderingen jou aangaan. Dit is in eerste instantie een introspectieve opdracht. Je moet namelijk bij jezelf te rade gaan. Maak simpelweg een lijst van wat jij belangrijk vindt, wat er veranderd zou moeten worden, wat je nastrevenswaardig vindt, waar je erg op tegen bent. Vervolgens kun je je afvragen hoe je eigenlijk over de mogelijkheid tot verandering denkt, welke rol kun je daar zelf in spelen enz. Ligt de schuld buiten jezelf? Ligt de mogelijkheid tot verandering buiten jezelf?
Stap 2: - Vervolgens verzamel je info over een onderwerp die je aangaan. Artikelen, filmpjes, opmerkingen die andere mensen maken.
- Bij de info schrijf je commentaar opdat je in de klas de inhoud van je materiaal kan toelichten.
Stap 3: - Dit doe je alleen of met meerdere mensen. Het kan zijn dat je net als drie anderen enorm geïnteresseerd ben in vrouwemancipatie. Dan ga ja de daar gezamenlijk mee aan de slag.

stap 4: gezamenlijke sessie. Hierin vertel je over het onderwerp dat je aangaat.

stap 5: we kiezen gezamenlijk een onderwerp dat we verder gaan uitdiepen. Als het goed is hebben jullie daar al materiaal over gevonden. Ik vul dit aan.

stap 6: lessen over dit onderwerp. We koppelen het thema aan de lessen over Politieke filosofie die we dit jaar geleerd hebben.

stap 7: afsluiting? Weet ik nog even niet. Moet hier een cijfer voor komen? Hoe?

dinsdag 3 maart 2009

Declaration of Independence

Alhier vind je materiaal om de vragen te beantwoorden:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Amerikaanse_Onafhankelijkheidsverklaring

Werkoverzicht maart-april

Revolutie in naam van ....?

Inleiding: In de moderne tijd is verandering de norm. We moeten steeds maar weer vooruit om meer vooruitgang te boeken. In pre-moderne tijden was stabiliteit en orde het ideaal. Denk bijvoorbeeld aan de Egyptische cultuur of aan het Christendom. Elke verandering werd daar gezien als een verlies van orde. Met verandering dreigde chaos. Vrijheid was in die stabiele samenlevingen al helemaal verdacht: vrijheid staat gelijk aan wanorde, chaos en permanente strijd.
Hoe kan het dat in de moderne tijd verandering en vrijheid opeens de belangrijke positieve waarden werden? Op die vraag gaan we uitgebreid in. Een aantal vragen staat hierbij centraal:
- Wie of wat veroorzaakt verandering? Is de samenleving maakbaar of zijn we overgeleverd aan hogere machten? Wie zijn de actoren van veranderingen (de staat, het individu, een cultuur, een volk, de arbeiders, de intellectuelen)
- Welke veranderingen worden er voorgesteld? Op basis van welke criteria wordt die verandering als gerechtvaardigd gezien?
- Hoe moeten veranderingen doorgevoerd worden? Mogen daar doden bij vallen? Mag er een oorlog voor gevoerd worden?

Aanvulling: de tekste krijg je tzt met daarbij vragen voor de Daltontaak.


Extra cijfer op basis van drie opdrachten.
1) Gemeenschappelijke Daltontaak over onderwerp Revolutie en Verandering.
2) Korte presentatie van stukje tekst tijdens de les (in tweetallen).

Toelichting:
1) In week 13-17 april en week 20-24 april gaan we een onderwerp uitdiepen dat we gezamenlijk bepaald hebben. Het onderwerp heeft te maken met revolutie en verandering. Dit kan van alles zijn: green revolution, kredietcrisis en noodzaak hervorming, vrouwenemancipatie, Obama en change, ontwikkelingssamenwerking en Bono, integratieproblematiek, internetrevolutie, genetische revolutie, meer invloed voor jongeren enz. Telkens stellen we ons de vraag waartoe de verandering dient. We gaan in op de vraag op basis van welke criteria we de noodzaak van verandering rechtvaardigen. Wat zijn de praktische obstakels voor veranderingen? Is verandering wel mogelijk? Door wie is de verandering gewild?
Per les dient een groep materiaal te bieden. Een groep bestaat maximaal uit 4 personen. Na de meivakantie komt uiteindelijk iedereen aan de beurt.
Het materiaal kan zijn: artikelen, stukje film, docu, youtube-filmpje, reclamefolders van een bepaalde organisatie die ergens voor strijdt, discussiepunten opstellen, een postercollage met foto’s.

2) Korte presentatie van stukje tekst tijdens de les (in tweetallen).
Iedere les bereidt een tweetal een korte presentatie voor. Je leest de tekst die voor die week op het programma staat. Uit die tekst selecteer je een tekstpassage van 5 a 10 regels. Die tekstpassage becommentarieer je door bijvoorbeeld
- er kritische vragen over te stellen. Eeens /mee oneens en waarom.
- de vraag voor te leggen wat er nu eigenlijk bedoeld wordt met die passage.
- een vergelijking te maken met een actueel probleem.
- uit te leggen wat je aanspreekt in deze passage.


week 2-6 maart
Locke, contracttheorie en de Amerikaanse Revolutie.
Boek: 93-96, 146-148
Extra: Declaration of Independence en Bill of Rights. Zie blog.
Daltontaak:
1. Geef aan de hand van de Declaration aan waar de invloed van Locke zichtbaar is. Noem tenminste drie punten.
2. Zoek op. Een revolutie betekent een grote verandering. Noem drie punten van verandering die doorgevoerd worden in de Amerikaanse Revolutie. Maak hierbij een vergelijking tussen de Oude Wereld en de Nieuwe wereld.
3. Op basis van welke principes wordt de Amerikaanse gerechtvaardigd? Betrek in je antwoord de tekst van Locke op 4.

week 9-13 maart
Verlichting, Rousseau, Sieyes en de Franse Revolutie I
Boek: 96-103, 148-153
Extra teksten:
- Emile van Rousseau. Hoofdstuk over Robinson Crusoe.
- Wat is de derde stand? Sieyes aan de vooravond van de Franse revolutie.
- Eric Hobsbawm over het Tijdperk van de Revoluties.
Daltontaak:
- 2 presentaties over boek (en/of extra tekst).
- Maken: vragen uit werkboek over Rousseau.6.58, 6.59, 6.60, 6.61, 6.62, 6.63, 6.64
- Lezen: zie hierboven.

week 16-20 maart
Verlichting, Roussea, Sieyes en de Franse Revolutie I
Daltontaak:
- 2 presentaties over boek (en/of extra tekst).
- Maken: vragen uit werkboek over Rousseau. 6.65 t/m 68, 6.70, 6.73-78
- Lezen: zie hierboven.

week 23-27 maart
Karl Marx en de communistische revoluties (1848, 1871, 1917, 1968), I
Boek: 111-114, 158.
Vragen: 6.90, 6.91, 6.92
Extra:
Marx – Engels: Communistisch manifest
Ricardo – Arbeidswaardetheorie en vrije markt
Smith arbeidswaardetheorie en vrije markt

week 30 maart-3 april
Karl Marx en de ‘communistische’ revoluties (1848, 1871, 1917, 1968), II
Extra:
Lenin over revolutie en de noodzaak van een revolutionaire voorhoede.
Bakoenin over het anarchisme

week 6 -10 aprilKarl Marx en de communistische revoluties (1848, 1871, 1917, 1968), III
Extra tekst over:
Marxisme en counter-culture in de jaren zestig.
Docu: The Weather Underground. Over de vraag of terrorisme gerechtvaardigheid kan zijn.

Inleveren PO.

week 13-17 april
Open
Samen te bepalen actueel onderwerp waar revolutie en verandering centraal staan. Daltontaak: voorbereiden onderwerp in groep (max 4 personen per groep). Per les dient een groep materiaal te bieden. Iedereen komt een keer aan de beurt!!!

week 20-24 april
Open
Samen te bepalen actueel onderwerp waar revolutie en verandering centraal staan
Daltontaak: voorbereiden onderwerp in groep (max 4 personen per groep). Artikel, stukje film, discussiepunten opstellen.
Per les dient een groep materiaal te bieden.


VAKANTIE
testing 1, 2