Hoofdstuk 3: De ware waarde van werk is…nietsdoen?
1.
In ‘Recht op Luiheid’ hanteert Paul Lafargue een criterium om waardevol van waardeloos werk te onderscheiden om vervolgens in één beweging door zijn theorie van nietsdoen te formuleren. Waardeloos zijn de zogenaamde ideologische beroepen. Gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten en wetenschappen dragen ‘niets’ bij. Evenmin het huishoudpersoneel. Het huishoudpersoneel bedient de rijken. Ze werken wel maar voegen ‘niets’ toe. Er is nog meer waardeloos werk: de werkzaamheden ‘die uitsluitend bestemd zijn voor de bevrediging van de verkwistende en ijdele begeerten der rijke klassen: diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe uitgaven, naaisters van luxe-kleding, stoffeerders van lustverblijven enzovoort.’ Het summum van waardeloos werk bestaat uit ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’.
Lafargue zet met zijn definiering van waardevol en waardeloos meer dan de helft van de beroepsbevolking buiten spel. De butler die zich inspant zijn meester te dienen met het serveren van exquise cognac, de kunde van een diamantslijper die uren achtereen verbeten in de weer is met zijn slijptol, de slaven die ploeteren in de diamantmijnen, de naaister die met naald en draad prachtig borduursel aanbrengt in een zwierige baljurk…is dat geen waardevol werk dan? En de bankier, de investeerder, de bejubelde helden van de moderne maatschappij…ook geen waardevol werk?
Volgens Lafargue niet.
Uit ‘Das Kapital’ van Marx neemt hij een schema over waarin de produktieven tegenover de improduktieven staan, oftewel de waardevolle werkers tegenover de waardeloze werkers. In 1861 omvat de bevolking van Wales en Engeland ongeveer 20 miljoen personen. Na aftrek van ouderen, niet werkende en de waardeloze ideologische beroepen blijft er een kleine groep echte werkers over.
Agrarische werkers, met inbegrip van de herders, de boerenknechten en meiden die bij de boer inwonen: 1098261
Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, blas-, zijde- en brei-fabrieken: 624607
Arbeiders uit de steenkool- en ertsmijnen: 5655835
Metaalarbeiders (hoogovens, walserijen enz.) 396998
Waardevol tegenover waardeloos. Wat een verspilling! De omvang van de verspilling onderstreept Lafargue nog eens door de enorme hoeveelheid aan huishoudelijk personeel (1208648) te vergelijken met de produktieve arbeid. Lafargue citeert de grote meester Karl Marx:
‘Als we de textielarbeiders en de mijnwerkers bij elkaar optellen krijgen we hier het cijfer van 1208442; als we de eersten en die van de metaalfabrieken optellen krijgen we een totaal van 1093605 personen – dat wil zeggen telkens een kleiner getal dan dat van de moderne huisslaven. Dat is het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines’
‘Het prachtige resultaat van de kapitalistische exploitatie der machines’ schrijft Marx met zijn gebruikelijke cynisme. De door de machines overbodig geworden arbeiders, moeten hun energie nu gedienstig opofferen ten bate van het gerief van de rijken. Maar dit ‘prachtige resultaat’ geeft Lafargue juist hoop. Machines verminderen de hoeveelheid benodigde arbeid en ook al moeten de ‘huisslaven’ nu ploeteren voor de rijken, dat kan in de toekomst veranderen. Huishoudpersoneel behoort immers tot de categorie van waardeloos werk. En wat waardeloos is, kan afgeschaft worden. Geen overbodige beroepen meer die niets waardevols voortbrengen.
De samenleving valt zo uiteen in twee klassen: de waardevollen en de waardelozen. Beroepen als politie, geestelijkheid en de rechterlijke macht die niets materieels voortbrengen zijn sowieso waardeloos. Maar ook de beroepen die iets voorbrengen dat ‘de ijdele begeerte’ van de rijke klassen bevredigt, worden overgeheveld naar het kamp van de waardeloze werkers.
Deze kritiek op waardeloze, improduktieve arbeid is overigens geenszins voorbehouden aan het socialisme. Bij Adam Smith, de vader het liberale kapitalisme, zien we precies hetzelfde. Smith schrijft:
‘The labour of some of the most respectable orders in the society is, like that of the menial servants, unproductive of any value (…). The sovereign, for example, with all the officers both of justice and war who serve under him, the whole army and the navy, are unproductive labourers (…).
Ze worden onderhouden door de ‘produce of the industry of other people.’ De groep met ‘unproductive labourers’ wordt door Smith uitgebreid met ‘churchmen, lawyers, physicians, men of letters of all kinds, players, buffoons, musicians, opera-singers, opera-dancers. Dat leidt tot het volgende schema:
Waardeloos, improductief werk Waardevol werk
Gouvernantes, politie, geestelijkheid, rechterlijke macht, leger, prostitutie, kunsten, wetenschappen, huishoudpersoneel,
diamantslijpers, kantwerksters, borduursters, boekbinders van luxe uitgaven, naaisters van luxe-kleding, stoffeerders van lustverblijven, huisbazen, bankiers, kapitalisten. Koning, officers of justice and war, leger, marine, churchmen, lawyers, physicians, men of letters of all kinds, players, buffoons, musicians, opera-singers, opera-dancers. Agrarische werkers,
Arbeiders van de katoen-, wol-, hennep-, blas-, zijde- en brei-fabrieken:
Arbeiders uit steenkool- en ertsmijnen
Metaalarbeiders
Hiermee hangt samen dat er ook veel producten waardeloos zijn en afgeschaft kunnen worden.
Af te schaffen waardeloze producten Waardevolle producten
Diamanten, modieuze luxe-kleding, kant, borduursel, luxe boekuitgaven, Eetbare producten uit de landbouw: koren, vlees, melk
Simpele kleding
Steenkool, erts (warmte)
Metaal (gebouwen)
Het waardeloze heeft geen recht van bestaan. Het is er, maar je kunt het net zo goed afschaffen. Dit afschaffen heeft iets gewelddadigs, maar voor Lafargue is het een daad van bevrijding. Met het afschaffen van waardeloos werk en waardeloze producten ligt de weg naar de verlossing open. Per saldo verdwijnt er namelijk heel wat werk en waar niet gewerkt wordt, daar is de vrijheid om lui te zijn. Omdat de waardevolle beroepen die overblijven, allemaal van doen hebben met het produceren van materiele goederen, is het waardevolle werk ook uitermate geschikt om te automatiseren. Deze dubbele strategie – afschaffen en automatiseren – legt de weg open naar een samenleving waarin nauwelijks meer gewerkt hoeft te worden.
2. De nietsende uitbuiter
Aan de vooravond van de Franse Revolutie circuleert deze prent door Frankrijk.
De derde stand draagt de adel en de geestelijkheid. De leden van de derde stand doen het waardevolle werk. Zij brengen de waardevolle producten voort. De adel en geestelijkheid doen niets en als ze al wat doen dan is de opbrengst van hun inspanningen waardeloos. Het onderscheid dat Lafargue tussen waardevol en waardeloos maakt, valt zo bezien samen met de kritiek op de standenmaatschappij die de kern vormt van de Franse Revolutie. Net als bij Lafargue tekenen de revolutionairen protest aan tegen het feit dat de ‘waardeloze’ adel en geestelijkheid het rijkste en belangrijkste zijn. Dit geeft de indeling in waardevol en waardeloos haar explosieve lading. De ‘waardelozen’ zijn rijk en machtig ten koste van de waardevollen!! De ‘waardelozen’ zijn rijk en machtig omdat ze de waardevolle werkers uitbuiten. De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. Deze onrechtvaardigheid laat zich samen vatten als zij die nietsdoen maar alles hebben tegenover hen die werken en geen cent te makken hebben.
Deze tegenstelling tussen nietsende uitbuiters en waardevolle werkers vormt het uitgangspunt van Thorstein Veblen’s ‘Theory of the Leisure class’ (1899). Het onrecht is stuitend. De rijke en nietsdoende klasse heeft hun status helemaal niet eerlijk verdiend. Het is precies de klasse die op onrechtmatige wijze aan eigendom komt, namelijk door roof, die uitgroeit tot de nietsdoende klasse. Veblen:
‘In the earlier and more naive stages of barbarism the former (de werkende klasse), in the normal case, own nothing; the latter (de nietsdoende klasse) own such property as they have seized, or such as has, under the sanction of usage, descended upon them from their forebears who seized and held it.’
De nietsdoende klasse leeft van roof en erfenissen. Ze doet niets, maar bezit alles. Maar wat betekent hier nietsdoen? Veblen schrijft: ‘Manual labour, industry, whatever has to do directly with the everyday work of getting a livelihood, is the exclusive occupation of the inferior class.’ Het is precies het werk dat Lafargue als waardevol werk classificeert (boer, timmerman, metaalarbeider), dat door de nietsdoende klasse als onwaardig wordt beschouwd. Het roofzuchtige gedrag van de nietsdoende klasse daarentegen valt bij Lafargue onder de categorie waardeloos werk (leger, politie). Dat waardeloze werk behelst nu precies de bezigheden die de nietsdoende klasse ‘waardig’ acht.
De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. Deze onrechtvaardigheid laat zich samen vatten als zij die nietsdoen maar alles hebben tegenover hen die werken en geen cent te makken hebben. Bij Adam Smith klinkt dezelfde klacht:
‘Among civilized and thriving nations (…) a great number of people do not labour at all, many of whom consume the produce of ten times, frequently of a hundred times more labour than the greater part of those who work (…)’
Maar wat is nietsdoen en wat is werk? Wat is waardevol en waardeloos? Wat is waardig en onwaardig?
Ten tijde van de Franse revolutie luidt het antwoord hierop dat de derde stand waardevol werk doet en de adel en geestelijkheid niets uitvoert en de derde stand uitbuit. Na de Franse Revolutie is het de bourgeoisie die tot uitbuiter wordt gebombardeerd. Voor Veblen is de moderne zakenman de erfgenaam van de ledige adel. Boeren en arbeiders doen het werk. Zij maken dingen. De zakenman maakt niks. Hij verkoopt alleen dingen die anderen gemaakt hebben, zonder in de fabriek te hoeven werken, zonder zich met eigen handen met het vervoer bezig te houden, zonder in de winkel achter de toonbank te hoeven staan. Kortom: de arbeider werkt, terwijl de bourgeois wat rondloopt. Op het schilderij Ozio et lavoro (ledigheid en werk) wordt deze verhouding overduidelijk afgebeeld.
De bourgeoisie vermaakt zich in het casino terwijl de arbeider ’s nachts in de fabriek werkt. Of nog scherper: het gezicht van de heersende klasse volgens George Gross. Om vijf uur in de ochtend toont de uitbuiter haar ware gezicht. Achter de burgelijke facade gaat de knechting van de arbeider schuil.
(Tweeërlei nachtarbeid in Limburg, Het volk, 25-02-1906) George Gross
De vermeende onrechtvaardigheid van de uitbuiter tegenover de uitgebuite is de motor van revoluties. In de woorden van Marx en Engels:
‘Vrije en slaaf, patriciër en plebejer, baron en lijfeigene, gildenmeester en gezel, kortom onderdrukkers en onderdrukten stonden in voortdurende tegenstelling tot elkaar, voerden een onafgebroken, nu eens bedekte dan weer open strijd, een strijd die ieder keer eindigde met een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of met de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende klassen.’
Het 19e-eeuwse proletariaat benoemt zich tot de ware erfgenaam van deze revolutie tegen de uitbuiting. ‘Wie niet werkt, zal niet eten’, wordt de leus van de arbeiders. In 1848 wordt het recht op Arbeid uitgeroepen. De gefedereerden van de Parijse Commune van maart 1871 verklaren dat hun opstand ‘de Revolutie van de arbeid’ is. In 1917 nemen de Russische Revolutionairen het devies ‘wie niet werkt zal niet eten’ heel serieus. Het wordt het uitgangspunt van de inrichting van de nieuwe maatschappij.
3. De omkering van alle waarden
Lafargue’s kritiek op de ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’, maakt zo bezien deel uit van een langgerekte klaagzang tegen uitbuiting die heel de geschiedenis al klinkt en maar niet wil verstommen. Maar hoe realistisch is Lafargue’s klaagzang aan het adres van de nietsdoende uitbuiters? Hoe waardeloos zijn het werk en de producten die Lafargue als waardeloos beschouwt? Hoe waardeloos is de bourgeoisie waar Lafargue zijn pijlen op richt?
Het is moeizaam in te zien hoe juist de bourgeoisie die door de verering van arbeid groot is geworden, verketterd kunnen worden als nietsdoeners. Dat heeft Lafargue bij Marx kunnen lezen. In het begin van het Communistisch manifest geeft Marx een verkapt compliment aan de enorme daadkracht van de burgerij.
‘De ontdekking van Amerika, de omzeiling van Afrika, schiepen voor de opkomende bourgeoisie een nieuw terrein. De Oost-Indische en Chinese markt, de kolonisatie van Amerika, de ruilhandel met de koloniën, de vermeerdering van de ruilmiddelen en van de goederen in het algemeen, gaven aan de handel, aan de scheepvaart, aan de industrie een ongekende vlucht en daarmee aan het revolutionaire element in de vervallende feodale maatschappij een snelle ontwikkeling. (…) Daar revolutioneerden de stoom en de machinerieën de industriële productie. (…) De grootindustrie heeft de wereldmarkt gesticht, die de ontdekking van Amerika had voorbereid. De wereldmarkt heeft aan de handel, de scheepvaart, aan de verkeersmiddelen te land een onmetelijke ontwikkeling gegeven. Deze heeft op haar beurt op de uitbreiding van de industrie ingewerkt, en in dezelfde mate, waarin industrie, handel, scheepvaart, spoorwegen zich uitbreidden, in dezelfde mate ontwikkelde zich de bourgeoisie, vermeerderde zij haar kapitalen, drong zij al de uit de middeleeuwen overgeleverde klassen op de achtergrond.’
Is dit dezelfde burgerij die Lafargue wegzet als ‘lieden die uitsluitend bezig zijn de arbeid van anderen op te eten in de vorm van huur van onroerende goederen, interest en dividend’? Is het aannemelijk dat de burgerij die arbeid zo hoog in het vaandel heeft staan en precies in naam van de arbeid de macht van de ‘luie’ adel gebroken heeft, nu opeens niets meer doet? Zo beschouwd komt de indeling van Lafargue lichtelijk absurd over. Hooggewaardeerde beroepen als rechter, politiechef, generaal en bankier worden doorgaans als zeer waardevol gezien. Dat Lafargue dat niet vindt, doet zijn theorie lijken op een carnavaleske omkering van de normale wereld.
Maar dat gevoel van omkering is precies wat de 19e eeuw zo kenmerkend maakt. De revolutie van 1789 wil het oude afschaffen en helemaal opnieuw beginnen. J.S. Mill schrijft in 1848 dat ‘a general reconsideration of all first principles is felt to be inevitable’. Omkering, omwenteling, verandering; het zijn wellicht de belangrijkste kenmerken van de moderniteit. Marx en Engels opnieuw:
‘De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken schok aan alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging, onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun gevolg van eerwaardige voorstellingen en zienswijzen worden opgelost, alle nieuwgevormde verhoudingen verouderen, voordat zij zich kunnen verstenen. Al het feodale en al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun plaats in het leven, hun wederzijdse betrekkingen met nuchtere ogen te aanzien.’
Maar wat zag de mens die met nuchtere ogen de wereld in keek? Wat had nog waarde? Wat had nog waarde nu het heilige was ontwijd, het feodale was verdampt? Wat waren de nieuwe waarden van de Franse Revolutie, de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en de Industriele Revolutie?
Wat is waarde?
In de ontzagwekkende openingspagina’s van het Communistisch manifest geven Marx en Engels aan dat in het tijdperk van de bourgeoisie er een geheel nieuwe opvatting is ontstaan over ‘waarde’:
‘De bourgeoisie heeft, waar zij tot de heerschappij is gekomen, alle feodale, aartsvaderlijke, idyllische verhoudingen vernield. Zij heeft de bontgeschakeerde feodale banden, die de mens aan de van nature boven hem geplaatste verbonden, onbarmhartig verscheurd en geen andere band tussen mens en mens overgelaten dan het naakte eigenbelang, dan de gevoelloze ‘contante betaling’. Zij heeft de heilige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift, van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van egoïstische berekening verdronken. Zij heeft de persoonlijke waardigheid in de ruilwaarde opgelost en in de plaats van de talloze verleende en verworven vrijheden als enige vrijheid de gewetenloze handelsvrijheid gesteld. Zij heeft, met één woord, in de plaats van de met godsdienstige en staatkundige zinsbegoocheling omhulde uitbuiting de openlijke, schaamteloze, directe, dorre uitbuiting gesteld.
De bourgeoisie heeft alle tot nu toe eerwaardige en met vroom ontzag beschouwde ambten van hun heilige schijn ontdaan. Zij heeft de geneesheer, de jurist, de priester, de dichter, de man van de wetenschap in haar betaalde loonarbeiders veranderd. De bourgeoisie heeft van de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht.’
Het spreken over ‘waarde’ is een economisch debat geworden. Naakt eigenbelang, contante betaling, egoïstische berekening, dorre uitbuiting, loonarbeid en geldverhoudingen ontmaskeren de heilige, magische en ridderlijke verzinsels van de Middeleeuwen. Marx en Engels waren zeker niet de enige die de discussie over ‘waarde’ in economische termen uitvochten. In 1776 zag ‘An Inquiry into the Wealth of Nations’ het daglicht. Adam Smith stelt zich de vraag wat een land rijk maakt, hoe waarde ontstaat. In de uitwerking van die vraag preciseert Smith wat waardevolle arbeid - in contrast met improductieve arbeid - is die tot rijkdom leidt, hoe het nastreven van economisch eigenbelang tot de best mogelijke wereld leidt. Bijna ongezien vervangt de economie zo de ethiek. Waarde, waardevol werk, waardigheid, waarden: het worden economische vragen.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten