Vragen bij de teksten
We hebben bij Locke een poging gezien het bestaan van prive-eigendom te rechtvaardigen. Het cruciale criterium blijkt arbeid te zijn, hoe lullig de vorm van arbeid ook is (Locke spreekt van het oprapen van iets waardoor het opgeraapte object eigendom wordt omdat bukken een vorm van arbeid is). Belangrijk wordt nu de vraag: wat is arbeid? Van maatschappelijk belang wordt verder de vraag in hoeverre de heeersende standen, de adel en de geestelijkheid, zoiets als arbeid verrichten. Is bidden een vorm van arbied? En de adel: heeft die niet altijd haar status onderstreept door juist geen arbeid te leveren?
De vraag naar wat echte arbeid is en wat niet geeft ons de sleutel de Franse Revolutie, de Amerikaanse Revolutie en het communsime en kapitalisme te begrijpen.
1. Bij Robinson Crusoe tekst:
a. Geef op basis van de tekst aan welke criteria er zijn voor produktieve arbeid.
b. Wat is de relatie tussen bruikbaarheid en produktieve arbeid?
c. Welke menselijke activiteiten zijn volgens de Crusoe norm niet echt bruikbaar en daarmee niet produktief?
2.
a. Leg uit hoe Rousseau de Crusoe norm gebruikt in de opvoeding van Emile.
b. Hoe zal Emile denken over de rechtvaardigheid van de standenmaatschappij? Verklaar je antwoord.
3. De tekst van Sieyes is het belangrijkste pamflet van de Franse Revolutie.
a. Leg uit dat zijn opvatting over produktieve arbeid de Franse Revolutie rechtvaardigt.
b. ‘Wie niet werkt zal niet eten’ is tijdens de Franse Revolutie en later tijdens het communisme een belangrijke slogan.
Leg uit wiens doodvonnis hiermee in de ogen van Sieyes getekend is.
1. De Robinson Crusoe-norm
n het vierde jaar van zijn schipbreuk is Robinson Crusoe in het reine gekomen met zijn noodlot. De ellende van de eenzaamheid heeft hij middels wat geestelijke acrobatiek omgebogen tot een heilsgeschiedenis. Ver weg van vleselijke verleidingen, werkt Robinson in het zweet des aanschijns. Robinson heeft alles met eigen handen gemaakt. Alles is van hem.
‘Ik was heer van het ganse ambacht; of, indien ik daar zin in had, kon ik mijzelf koning of keizer van de ganse landstreek die ik in bezit had genomen had, noemen.’
Maar Robinson is een koning zonder diamanten kroon. Alleen het bruikbare heeft waarde.
‘Ik had scheepsladingen graan kunnen verbouwen, maar ik had er geen behoefte aan, dus zaaide ik slechts zo weinig als ik voor mijn eigen gebruik dacht nodig te hebben. Ik had schildpadden in overvloed, maar als ik er slechts zo nu en dan eens eentje ving, kon ik er weer een heel tijdje mee toe. Ik had timmerhout genoeg om een ganse vloot te bouwen, en druiven genoeg, om zoveel wijn te maken, of ze tot zulke hoeveelheden rozijnen te drogen, dat ik er die hele vloot, wanneer hij gebouwd was, mee had kunnen bevrachten.
Doch dit alles had slechts waarde inzover ik het gebruiken kon. Ik had voldoende voedsel en kon ook in mijn verdere behoeften voorzien; wat had ik dan meer nodig? Indien ik meer geiten of vogels schoot dan ik opeten kon, moest mijn hond ze opeten, of het ongedierte. Indien ik meer koren zaaide dan ik eten kon, zou het bederven. De bomen die ik had omgehakt lagen op de grond weg te rotten; ik kon ze enkel voor brandstof gebruiken, en die had ik nog alleen nodig om mijn voedsel klaar te maken. In één woord, de aard en ervaring der dingen leerden mij, na er verstandig over te hebben nagedacht, dat alle goede dingen ter wereld slechts de goede dingen der wereld voor ons zijn, in de mate waarin wij ze kunnen gebruiken; en dat we, hoeveel we ook vergaren mogen om aan anderen te geven, slechts van zoveel ervan genieten als wij gebruiken kunnen, en meer niet.’ (mijn cursiveringen)
Zie daar de Crusoe-norm: alleen het bruikbare dat bijdraagt aan het fysieke overleven heeft waarde. Overvloed bederft. Diamanten en geld zijn afgemeten aan de Crusoe-norm onbruikbaar.
‘Ik had, zoals ik reeds eerder even vermeld heb, een hoeveelheid geld, zowel in goud- als in zilverstukken, ongeveer zesendertig pond sterling tezamen. Helaas! Daar lag de gemene, armzalige, nutteloze rommel; ik had er niets aan. Ik dacht vaak bij mijzelf dat ik er graag een handvol van gegeven zou hebben voor een gros tabakspijpen, of voor een handmolen om mijn graan te malen; ja, ik zou het allemaal graag hebben gegeven voor een enkel zakje zaad van wortelen en knollen uit Engeland, of voor een handvol erwten en bonen een fles inkt. Zoals de omstandigheden waren, had ik er niet het minste voordeel van, doch lag het er maar in een hoek, klam en schimmelig door het vocht in mijn rotshol gedurende de natte jaargetijden. En indien de lade waarin het lag vol diamanten had gezeten, zou het precies eender gebleven zijn – ze zouden waardeloos voor me zijn geweest omdat ik er geen gebruik van kon maken.’ (mijn cursivering).
Voor Crusoe zijn diamanten waardeloos omdat ze onbruikbaar zijn. Het is precies deze Crusoe-norm die door Adam Smith wordt toegepast in zijn ‘Paradox of Diamonds and water’.
Maar wat heeft het avonturenverhaaltje van Daniel Defoe over een verzonnen personage dat schipbreuk leidt te maken met zoiets serieus als de economische theorieën van Adam Smith?
Alles.
Hoe gek het ook moge klinken: de Crusoe-norm vormt de basis voor de gehele theorievorming van de klassieke economie. Karl Marx verwijt Ricardo en Smith telkens gebruik te maken van zogenaamde Robinsonaden: ‘Der Einzelne und vereinzelte Jager und Fischer, womit Smith und Ricardo beginnen, gehort den phantasielosen Einbildungen des 18. Jahrhunderts. Maar Marx zelf haalt Crusoe te pas en te onpas van stal om zijn theorie te stutten. In ‘Das Kapital’ is Robinson de belangrijkste getuige in zijn bewijsvoering voor de waarheid van zijn arbeidswaardetheorie. Daar wordt meteen duidelijk welke consequenties de Crusoe-norm heeft voor het onderscheid tussen werk en vrije tijd.
‘Bescheiden als Crusoe van huis uit is, heeft hij toch verschillende behoeften te bevredigen en daartoe moet hij nuttige arbeid van verschillende aard (cursivering is van Marx) verrichten, werktuigen maken, meubelen fabriceren, lama’s temmen, vissen, jagen enz. Van bidden en dergelijke praten we hier niet, omdat onze Robinson daarin genoegen schept en een dergelijke bezigheid als recreatie (Erholung) beschouwt (mijn cursivering).
Werken dat tot waarde leidt, oftewel; waardevol werk, verschijnt bij Robinson als het maken van gebruiksvoorwerpen die bruikbaar zijn voor het overleven. Geen diamanten, maar water. Al die activiteiten die niet direct tot productie van waardevolle objecten leiden, zoals bidden, behoren niet meer tot het waardevolle werk. De vraag wordt dan of het nog wel waarde heeft. Marx plaats bidden, met zijn gebruikelijke sarcasme ten aanzien van alles dat met religie te maken heeft, in een ander domein: het domein van de recreatie. Tegenover het ware werk dat nuttige gebruiksvoorwerpen voortbrengt verschijnt de vrije tijd waarin je overbodige, in de zin van niet noodzakelijke, dingen mag doen waarin je genoegen schept. Bidden, het o zo belangrijke, waardige werk van de geestelijkheid, wordt zo in een keer tot een onnut privé-tijdverdrijf verklaard.
De Crusoe-norm is tevens maatgevend voor Lafargue’s denken. Immers, Robinsons nuttige werkzaamheden vallen precies samen met wat Lafargue als waardevol werkt beschouwt. En Robinsons verlangen naar louter bruikbare voorwerpen (liever een graanmolen dan een diamant) valt precies samen met Lafargue’s categorisering van waardeloze en waardevolle objecten.
Robinson Crusoe verschaft hét criterium voor het bepalen van ‘waarde’ nu al het heilige ontwijd is.
6. Het enige boek dat Emile iets kan leren over wat waarde heeft
Rousseau beweert in zijn opvoedkundige traktaat Emile dat hij boeken haat, behalve Robison Crusoe. De andere boeken hebben geen waarde, precies omdat ze je niet leren hoe waardevol werk te verrichten. Ze leren je alleen maar te praten over datgene waar je geen weet van hebt. De avonturen van Robinson Crusoe vormen hierop een uitzondering. Het is dan ook het enige boek dat de jonge Emile mag lezen.
In boek IV van Emile beweert Rousseau:
‘De beste manier om Emile los te maken van vooroordelen en hem zijn oordelen te laten baseren op de ware verhoudingen der dingen (vrais rapports des choses) is hem zich te laten verplaatsen in de schipbreukeling (…) die de bruikbaarheid als uitgangspunt van zijn oordeel zal nemen.’
Door het lezen van Robinson Crusoe leert Emile het ware van het onware, het bruikbare van het onbruikbare, het noodzakelijke van het overbodige te scheiden. Rousseau zet zijn verraderlijke gebruik van het woord natuur in: ‘besoins naturels’, ‘éducation naturelle’, ‘sciences naturelles’. Natuurlijk is dat wat bruikbaar is en bruikbaar is datgene dat Robinson Crusoe nodig heeft om te overleven. Dat maakt in een klap zo’n beetje alles dat Emile omringt onnatuurlijk.
Om Emile te beschermen tegen het ‘onnatuurlijke’ wil Rousseau dat Emile onophoudelijk bezig is met het navolgen van Robinson:
‘Laat hem bezig zijn met het bouwen van zijn kasteel, zijn plantages, zijn geiten. Laat hem door de praktische omgang met de dingen, niet door het lezen van boeken, in detail uitvinden wat noodzakelijk is. Laat Emile denken dat hij Robinson zelf is; laat hem zichzelf kleden in dierenhuiden, een grote hoed dragen, een groot zwaard, alles wat Robinson ook gebruikte (…)’.
Emile leert zo het verschil tussen waardevol en waardeloos kennen.
Rousseau presenteert aan de hand van Robinson Crusoe een hiërarchie van waardevolle werkzaamheden. Het merkwaardige is dat Emile in de wereld om hem heen deze hiërarchie precies omgekeerd aantreft. Rousseau geeft Emile een simpele omrekeningsformule mee: hoe bruikbaarder en hoe waardevoller het werk, hoe minder maatschappelijke waardering het werk heeft. Rousseau plaats landbouw boven aan de hiërarchie. Vervolgens metaalbewerking en timmeren. Waardevol werk bestaat kortom uit fysieke handenarbeid die concrete voorwerpen voortbrengt. Maar van het belang van handwerk zal Emile in de maatschappij niets terugzien. Rousseau waarschuwt:
‘Er bestaat een maatschappelijke waardering van werkzaamheden die omgekeerd evenredig is met het nut (bruikbaarheid, waarde) van het werk. Hoe hoger het werk maatschappelijk gewaardeerd wordt, hoe minder bruikbaar het is. De meest nuttige werkzaamheden, leveren het minste loon op(…).’
Emile moet deze onnatuurlijke maatschappelijke vooroordelen achter zich laten. Hij moet, volgens de Crusoe-norm voor waarde, ‘de slotenmaker hoger aanslaan dan de juwelier, ijzer moet in zijn ogen een hogere prijs hebben dan diamanten (…). Emile moet schoenmaker en steenhouwer hoger in het vaandel hebben dan alle juweliers in Europa. In zijn ogen is de klerenmaker een echt groot man en hij moet de gehele academie van wetenschappen van minder waarde achten dan de kleinste banketbakker in de rue des Lombards. Goudsmeden, graveerders, gilders en borduurders zijn in zijn ogen lui die zich bezighouden met volstrekt waardeloze spelletjes.’
De maatschappij heeft een schijnwereld van waarde gecreëerd die Emile van zich af moet werpen. ‘Welk oordeel zullen kinderen vormen van de ware waarde van werk en de ware waarde van dingen als ze overal om hen heen de prijs van fantasie zien die in tegenspraak is met prijzen die gebaseerd zijn op ware bruikbaarheid, en dat hoe meer een ding kost, hoe minder het eigenlijk waard is.’ Als deze onware waardering van waardeloze dingen eenmaal post hebben gevat in het hoofd van de jongeling, zo waarschuwt Rousseau, is de opvoeding bij voorbaat mislukt.
Rousseau en Lafargue hebben niet alleen dezelfde opvattingen over wat waardevol werk is, ze delen beiden ook een afkeer van luxe producten. Rousseau leert Emile dat kunstenaars alleen voor ‘ledigen en rijken’ werken. De waarde van de kunstige voorwerpen is arbitrair, met andere woorden: onnatuurlijk, omdat ‘de waarde van de ijdele arbeid alleen gebaseerd is op opinie (…)’. Die opinie komt tot stand uit de behoefte van de rijken om zich te onderscheiden van de armen. Rousseau: ‘De rijken waarderen deze produkten juist zo enorm omdat ze te duur zijn voor de armen.’ Zo ontstaat volgens Roussau het vreemde verschijnsel dat ‘de prijs zelf een deel van de waarde van het produkt’ wordt. Thorstein Veblen zal dit verschijnsel beschrijven als conspicous consumption: de neiging van de rijken veel te veel geld uit te geven aan nutteloze dingen om zo de armen van hun superioriteit te overtuigen. Walgelijk en onnatuurlijk gedrag zal Rousseau zeggen. Dom gedrag zal Lafargue zeggen. Je werkt je krom voor iets dat volstrekt nutteloos is. Je kan beter luieren.
Emmanuel Sieyes wat is de derde stand? Afdrukken E-mail
Emmanuel Sieyès (1748-1836): Qu'est-ce que le Tiers-Etat, 1789
‘Het plan van dit geschrift is vrij eenvoudig. Wij hebben ons drie vragen te stellen:
1 Wat is de derde stand? Alles.
2 Wat is hij tot op heden op politiek gebied geweest? Niets.
3 Wat vraagt hij? Iets te worden. De derde stand is de hele natie.
Wat is er nodig opdat een natie zou blijven bestaan en bloeien? Particuliere ondernemingen en openbare ambten. Alle particuliere ondernemingen kunnen in vier groepen ondergebracht worden: veldarbeid, industrie en handel, wetenschappen en kunsten, en huisarbeid.
Wie oefent deze bedrijvigheden uit? De derde stand. Maar de winstgevende en eervolle ambten zijn alleen door de leden van de bevoorrechte standen bezet.
Wat is de derde stand tot hiertoe geweest? Niets. Beknopt samengevat: de derde stand heeft totnogtoe geen ware vertegenwoordigers bij de Staten-Generaal: hij bevond zich bijgevolg niet in het bezit van zijn politieke rechten.
Wat verlangt de derde stand te worden? Iets. Hij wil hebben:
1) ware vertegenwoordigers bij de Staten-Generaal, d.w.z. afgevaardigden uit zijn stand genomen, die de verdedigers van zijn wil en van zijn belangen kunnen zijn.
Hij verlangt: 2) evenveel vertegenwoordigers als de andere twee standen samen.
De derde stand verlangt: 3) dat de stemmen per hoofd en niet per stand geteld zouden worden’.
6. Burgerij versus adel en geestelijkheid
Zowel Sieyes als Ricardo hechten aan het belang van productieve arbeid in contrast met improduktieve arbeid. De afperking van wat als productieve arbeid mag doorgaan is vrijwel identitiek. Bij Sieyes wordt alle activiteit die een natie in leven houdt en tot bloei brengt toegeschreven aan de derde stand, oftwel de burgerlijke stand.
Sieyes is heel stelling, ja, zelfs gewelddadig in zijn afbakening van de burgerij ten opzichte van de adel en de geestelijkheid. De scheidslijn tussen de derde stand en de eerste en tweede stand wordt bepaald door een criterium van (economische) productiviteit. Sieyes opent zijn pamflet met de vraag: ‘Que faut-il pour qu’une nation subsiste et prospère?’ Het antwoord is simpel: De derde stand doet ‘alles’. De gepriviligeerde standen voegen ‘niets’ toe. ‘Alles’ laat zich omschrijven door de werkzaamheden van de derde stand die zich laten opdelen in vier soorten productieve arbeid. Allereerst de landbouw. Hier wordt de ‘la matière première des besoins de l’homme’geproduceerd, of in Ricardo’s vocabulaire de ‘necessities’. Voorts de ambachten, waardecreerend handwerk waarin de grondstoffen omgevormd worden tot gebruiksvoorwerpen. Ten derde kooplieden en handelaren, de menigte van tussenpersonen die de schakel vormen tussen produktie en consumptie. Ten slotte de meest diffuse groep van werkers. De eerste drie groepen hielden zich bezig met produktie en verkoop van materiele produkten. De vierde groep verleent diensten die de kwaliteit van leven verhogen. Van arts tot bediende, van advocaat tot leraar en niet te vergeten de bekleders van publieke ambten.
Deze laatste groep noemt Sieyes in het begin van zijn pamflet niet expliciet. De redenen daarvoor zijn taktisch. Het zijn tot voor 1789 namelijk vooral de gepriviligeerde standen die de publieke ambten (rechtspraak, belastinginning, leger) bekleden. Hun egoisme maakt dat de publieke zaak aangewend wordt voor individueel gewin en daarmee schade berokkent aan de natie. Dat neemt niet weg dat de publieke ambten wel degelijk economische nut kunnen hebben, op voorwaarde dat de overheidsdienaren de gemeenschapsgezinde mentaliteit van de derde stand hebben. Hier zien we reeds een duidelijk verschil met Ricardo die zich wellicht heeft laten verblinden door de anti-overheidsretoriek uit de epoche van de Franse Revolutie. Ricardo’s ‘unproductive labourers’ van de overheid gelijken op de door Sieyes bekritiseerde gepriviligeerde standen, bijvoorbeeld in de zin dat ze niet te vertrouwen zijn en hun private belang boven dat van de gemeenschap stellen, zoals Ricardo aangaf in zijn wonderbaarlijke suggestie dat bankiers betrouwbaarder zijn dan de overheid die het geld verbrast met oorlogje spelen.
Een andere gelijkenis tussen Sieyes en Ricardo loopt ook in het oog. Opnieuw lijkt het – en het blijft moeilijk Ricardo ergens op vast te pinnen omdat hij nergens precies is in zijn aanduidingen – dat de anti-overheidsretoriek van Sieyes doorklinkt in Ricardo’s kritiek op de monarch en zijn overheidsdienaren. Ricardo zet de overheid steevast weg als ‘unproductive’ en verbindt dit in een passage met een zeker nietsdoen en een voorliefde voor luxe consumptie (Principles, hfst. 16, On Taxes and wages). Bij Sieyes is deze veroordeling veel sterker. Sieyes schiet met scherp en vaardigt een ter doodverklaring uit aan het adres van de gepriviligeerde standen. De adel heeft geen bestaansrecht omdat ze zich aan produktieve arbeid onttrekt. De gepriviligeerde klasse hebben namelijk niets toe te voegen aan de materiele rijdkom die boeren, ambachtslieden en handelaren creeren. Als ze al de moeite nemen een publiek ambt te bekleden dan doen ze dat ten koste van het algemene belang. Ze parasiteren op de door de derde stand gecreerde rijkdom. Ze verzwakken en verzieken de samenleving. De aard van het virus betreft hun ‘ongeneeslijke luiheid’ (paresse incurable), hun ‘faineantisme’, hun egoisme, hun voorkeur voor erebaantjes waar je niets voor hoeft te doen. Sieyes, zelf van adel maar bekeerd tot de burgerlijke religie van de arbeid, signaleert bij de gepriviligeerde standen ‘slechte zeden die hen tot vreemdelingen maakt ten aanzien van maatschappelijk relevante arbeid’. Voor de werkschuwe geprivlilgeerden is het ‘honorable de consommer et humiliant de produire’. De zware beroepen die de ‘classes laborieuses’ uitvoeren worden als slecht en verachterlijk gezien, terwijl dit werk het enige reeele, echte werk is. Het is duidelijk: niet dit produktieve werk is slecht, maar de zeden van de gepriviligeerden, zij die het ‘meest profiteren van de publieke zaak er het minst aan bijdragen’.
De improduktiviteit en slechte zeden (luiheid) van de gepriviligeerde standen rechtvaardigen een zuivering. Sieyes beschrijft het parasitaire karakter van de gepriviligeerde standen in biologische termen: ze zijn een ziekte die uitgeroeid moet worden. In de onheilspellende laatste zinnen van het pamflet zien we het bebloede lemmet van de guillotine reeds haar machinale zuivering voltrekken. ‘En attendant, il est impossible de dire quelle place deux corps privilégiés doivent occuper dans l’ordre social : c’est demander quelle place l’on veut assigner, dans le corps d’un malade, à l’humeur maligne qui le mine et le tourmente. Il faut la neutraliser, il faut rétablir la santé et le jeu de tous les organes assez bien pour qu’il ne s’y forme plus de ces combinaisons morbifiques, capables de vicier les principes les plus essentiels de la vitalité.’
Deze ingreep zal de natie niet verzwakken, maar zoals dat bij genezing van een ziekte gebruikelijk is, sterker maken. Hier zien we een opvatting over efficientie, gebaseerd op een visie op wat als produktieve arbeid doorgaat, die lijkt op de kritiek van Ricardo op ‘government’. De ingrepen van de overheid worden door Ricardo als onnatuurlijk gezien en verstoren de natuurlijke flow van de goederen en kapitaal. In zekere zin is de overheid in die rol vergelijkbaar met een ziekte waarvan de samenleving moet genezen. Wel is er een verschillende nadruk bij Ricardo. Zoals opgemerkt zien we slechts een keer bij Ricardo de improduktieve klassse expliciet beschuldigd wordt van ‘idle’ gedrag. De sterke morele veroordeling van de aristocratische mores zoals bij Sieyes blijft echter achterwege. Bij Ricardo spitst de kritiek zich toe op hun economisch schadelijke beleid. Maatregelen van de ‘government’ als belastingen, invoertarieven, wetgeving die inperking van vrij verkeer van personen en goederen beoogt, het voeren van oorlog, ‘onnatuurlijk’ hoge rentetarieven als diezelfde oorlog de overheid noopt tot enorme leningen; dit type beleid schaadt de groei van de economie. Waar er bij Sieyes naast een economische argumentatie een sterke morele veroordeling (slechte zeden, egoisme, faineantisme) klinkt, is de kritiek bij Ricardo economisch geworden. Van belang is op te merken dat deze zuiver economische veroordeling van de overheid vereist dat Ricardo in het vage blijft over de precieze karakter van de improduktieve arbeid van soeverein en overheidsdienaren. Dat is bij nauwkeurige analyse ontoereikend, want waarop baseert Ricardo het corrupte karakter van de overheidsdienaren, hun onbetrouwbare, egoistische gedrag dat maakt dat particuliere banken wel te vertrouwen zijn en de overheid niet? Het lijkt er sterk op dat Ricardo de moreel geinspireerde anti-overheidsretoriek uit de epoche van de Amnerikaanse- en Franse revolutries heeft overgenomen, zonder daar rekenschap van te geven. De Ricardiaanse kritiek lijkt zuiver economisch, maar is doordesemt met een politieke en morele lading.
Hetzelfde negeren van het politieke om zo de schijn van een zuiver economische orde te creeren zien we in de genese van de maatschappelijke orde. Voor Sieyes is het kraakhelder dat de onrechtvaardigheid van de maatschappelijke ongelijkheid precies erin ligt dat de produktieve klasse alles doet, maar geen enkele politieke macht heeft. Politiek en economie zijn daarmee historisch gezien twee onderscheiden domeinen. Sieyes situeert de opkomst van de derde stand in de geschiedenis en traceert een economische ontwikkeling waarin niewe werkzaamheden, nieuwe vormen van rijkdom opleveren en daarmee nieuwe klassen doet ontstaan. Er is sprake van verandering. Precies deze historische verandering maakt dat de politieke machtsverdeling in de in 1789 bijeengeroepen Staten generaal niet meer volgens de reglementen van 1614 mag plaatsvinden. De gegroeide economische macht van de derde stand rechtvaardigt een herverdeling van politieke macht.
In de toekomst zal de economische macht samen moeten vallen met politieke macht; in het verleden is dat echter niet het geval geweest. De verklaring voor de het bezit van de politieke macht door de gepriviligeerde standen kan niet verklaard worden op economische gronden. Ze zijn immers economisch parasitiar. De genese van hun macht ligt in roof en verovering; het usurperen van macht met als doorslaggevende argument bruut geweld. Het behoud van de macht laat zich begrijpen als politieke onderdukking en een ideologie waarin traditie en (familie)geschiedenis een doorlopende lijn van privileges rechtvaardigt. Sieyes verklaart traditie en de overgeerfde rechten voor irrelevant. In de nieuwe maatschappelijke orde zijn talent en kunde en de aanwendig daarvanten batevan produktieve arbeid, de rechtvaardiging voor het verkrijgen van politieke macht.
Bij Ricardo is een dergelijke genese van de maatschappelijke orde afwezig. Bij Ricardo bestaan er simpelweg drie klassen. Dat krijgen we er op de eerste pagina al ingepeperd. Politieke economie bestaat er volgens Ricardo in te begrijpen hoe de verdeling van de rijkdom over die drie klassen plaatsvindt. De veel belangrijkere vraag hoe de politieke economie kan verklaren hoe deze drie onderscheiden klasse zijn ontstaan, laat Ricardo achterwege. Hier kan geen sprake zijn van onwetendheid. Ook Ricardo wist dat landbezit en voorrecht was van de gepriviligeerde klasse en ook Ricardo wist, zoals dat in de retoriek van de Franse revolutie keer op keer werd herhaald, dat addelijk landbezit niet verkregen was door produktieve werkzaamheid, maar door roof en vervolgens overerfing. Het negeren van deze genese van landbezit schept de illusie dat Ricardo volgens zuiver economische pirncipes de verdeling van de rijkdom kan beschrijven. Roof, geweld en politieke onderdukking die bij Sieyes zo’n belangrijke rol spelen, worden zo weggezuiverd uit de zuiver economische droomwereld van Ricardo.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten